Beoordeling door klanten: 8,6/10 - 164 beoordelingen

Buren kunnen verplicht worden mee te betalen aan erfafscheiding


Mag je medewerking van de buren verlangen om een erfafscheiding te realiseren die aan de wettelijke eisen voldoet? Die vraag lag onlangs in cassatie voor bij de Hoge Raad. De rechter oordeelde van wel en stelde vast dat de kosten hiervoor door beide buren gezamenlijk betaald moeten worden.

In deze zaak draait het om een meningsverschil tussen buren over een coniferenhaag. Deze haag staat op de juridische erfgrens tussen de percelen. Volgens de Hoge Raad mag een eigenaar medewerking vorderen van zijn buren van het aangrenzende erf om voor gezamenlijke rekening een ondoorzichtige scheidsmuur van minstens twee meter hoog op te richten. Een uitzondering hierop geldt alleen als plaatselijk andere regels gelden over de wijze of hoogte van de afscheiding. In dit geval was er al een coniferenhaag als erfafscheiding, die daaraan niet voldeed. De eigenaar mocht daarom medewerking van zijn buren verlangen aan een erfafscheiding die wel aan de eisen voldoet.

Scheidsmuur

Tijdens de zaak beroept de eiser zich op art. 5:49 van het Burgerlijk Wetboek. Hierin staat dat een eigenaar recht heeft op medewerking van de eigenaar van een aangrenzend erf aan een scheidsmuur van twee meter hoog en dat zij gemeenschappelijk de kosten hiervoor dienen te delen. Verder verwijst hij naar art. 5:43 van het Burgerlijk Wetboek waarin een muur wordt gedefinieerd als een ondoorzichtige afsluiting vervaardigd uit steen, hout of een andere geschikte stof. De eiser wordt in het gelijk gesteld door de rechter.

In cassatie

De andere buren willen graag dat de coniferenhaag, die er reeds staat, blijft staan. Zij gaan daarom in cassatie tegen de uitspraak van de rechter. De Hoge Raad komt in cassatie tot de conclusie dat de coniferenhaag geen ‘muur’ is in de zin van art. 5:43 BW. De coniferenhaag is immers niet ondoordringbaar, niet afgesloten en niet ondoorzichtig. Daarom kan de coniferenhaag niet worden aangemerkt als scheidsmuur in de zin van art. 5:43 BW. Verder is er in deze situatie geen sprake van een verordening of plaatselijk gebruik dat iets regelt in de zin van art. 5:49 BW.

Persoonlijke levenssfeer

In een toelichting verwijst de Hoge Raad naar de wetsgeschiedenis. Hij benadrukt dat art. 5:49 BW bedoeld is om eigenaren van percelen binnen de bebouwde kom de gewenste bescherming van hun persoonlijke levenssfeer te kunnen bieden. In dit geval was er al wel een coniferenhaag als erfafscheiding, maar die voldeed niet aan de wettelijke eisen. De eigenaar mag daarom medewerking van zijn buren verlangen aan een erfafscheiding die wel aan de eisen voldoet.

Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073-6154311.

Belangrijke uitspraak in aanpak van negatieve recensies op internet

review-sterren

Consumenten zoeken tegenwoordig op internet vaak eerst naar informatie over het product dat ze willen aanschaffen. Indien zo’n product negatieve recensies krijgt, dan is de kans groot dat een consument besluit om het niet te kopen. Negatieve recensies kunnen dus grote gevolgen hebben voor ondernemers. De rechtbank in Amsterdam deed onlangs een belangrijke uitspraak in de aanpak van negatieve recensies.

Kort geding

De rechtbank in Amsterdam veroordeelde Google om een aantal nep-recensies over een kleermakerij weg te halen en de IP-adressen bekend te maken die gebruikt zijn om deze reviews online te plaatsen. De kleermakerij spande een kort geding aan tegen het bedrijf, omdat zij last had van een aantal negatieve recensies die via Google Reviews zijn geplaatst bij haar bedrijfsvermelding op Google Maps.

Nep-recensies

De betreffende onderneemster had een sterk vermoeden dat het om nep-recensies ging. Zij stelde dat de recensies in korte tijd online zijn gezet, vlak na een incident in de winkel. Daarnaast gaf ze aan de afzender of afzenders van de recensies niet te kennen en niet te kunnen traceren. Bovendien klopte de inhoud van de verhalen niet en vertoonden de recensies opvallende gelijkenissen in bewoordingen.

Verstrekken van gegevens

Google gaf in haar verdediging aan dat het bedrijf erg terughoudend is ten aanzien van het verwijderen van recensies en al helemaal ten aanzien van het verstrekken van gegevens van gebruikers aan derden.  De rechter oordeelde echter dat het aannemelijk is dat de recensies door één en dezelfde persoon of groep van personen zijn geschreven, die wrok koestert jegens de eigenaar van de kleermakerij. Hij vond het daarom eveneens aannemelijk dat deze persoon of deze personen met de negatieve inhoud van de recensies geen werkelijke gebeurtenissen heeft beschreven, maar opzettelijk schade probeerde toe te brengen aan de goede naam van de kleermakerij. Dat maakt deze handelwijze is onrechtmatig.

Valse recensies weghalen

In de ogen van de rechter wegen de eer en goede naam van de kleermakerij zwaarder dan het belang van Google om valse recensies te plaatsen. Google is daarom veroordeeld om de valse recensies weg te halen. Het internetbedrijf moet tevens de IP adressen overhandigen waarmee de desbetreffende Google-accounts zijn aangemaakt. Verder moeten ook de gegevens die de gebruikers bij het aanmaken van deze accounts hebben ingevuld worden afgegeven, evenals andere informatie zoals telefoonnummers, namen en e-mailadressen, waarmee de identiteit en verblijfplaats van deze personen mogelijk kan worden achterhaald.

Schade verhalen

Indien aannemelijk gemaakt kan worden dat reviews schadelijk en onrechtmatig zijn, kan via de rechter dus worden afgedwongen dat internetbedrijven alle bruikbare gegevens afgeven. De schade kan hierdoor later worden verhaald op (rechts)persoon die de valse reviews geplaatst heeft.

Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073-6154311.

Voormalig werknemer moet inloggegevens Facebook overdragen aan werkgever

Wat kun je als bedrijf of instelling doen als een medewerker na beëindiging van het dienstverband weigert om inloggegevens van social media kanalen over te dragen? Het aanspannen van een kort geding bij de rechter kan in zo’n geval uitkomst bieden.

De kortgedingrechter van de Rechtbank Gelderland oordeelde onlangs dat een voormalig medewerkster van een dierenopvangtehuis het beheer van de Facebook-pagina moet overdragen aan haar voormalige werkgever.

Facebook-pagina aangemaakt

In deze zaak was de vrouw tijdens haar dienstverband beheerder van een Facebook-pagina met de naam van het dierenopvangtehuis. Zij had deze pagina via haar eigen Facebook-account aangemaakt. Nadat de vrouw haar arbeidsovereenkomst had opgezegd, vroeg het bestuur van het dierenopvangtehuis de vrouw om de inloggegevens van de pagina over te dragen. Omdat zij dit weigerde besloot de instelling om een kort geding aan te spannen.

In opdracht

Het dierenopvangtehuis is van mening dat de vrouw in opdracht van het dierenopvangtehuis de Facebook-pagina heeft aangemaakt en dat zij de berichten namens het dierenopvangtehuis op deze pagina heeft geplaatst. Volgens de vrouw heeft zij de pagina echter op eigen initiatief aangemaakt en in haar eigen tijd gevuld en beheerd.

Rechthebbende

De kortgedingrechter oordeelt dat het dierenopvangtehuis rechthebbende is ten aanzien van het beheer van de Facebookpagina. De rechter geeft aan dat de vrouw deze Facebookpagina weliswaar zelf heeft aangemaakt, maar dat ze dit deed voor haar werkgever. Bovendien draagt de Facebookpagina de naam van het dierenopvangtehuis en blijkt uit verschillende berichten op de pagina dat alle inhoud daarvan betrekking heeft op dierenaangelegenheden.

Inloggegevens verstrekken

De vrouw moet daarom het beheer van de Facebook-pagina binnen twee dagen aan het dierenopvangtehuis overdragen en de inloggegevens daarvan aan Dierenopvangtehuis verstrekken. Als de ze dat niet doet, moet ze een dwangsom betalen van 1.000 euro per dag.

Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073-6154311.

Vaststellingsovereenkomst tekenen? Niet zonder beoordeling van een jurist!

Wanneer een werkgever afscheid wil nemen van een werknemer wordt hiervoor vaak een vaststellingsovereenkomst opgesteld. Dit is een contract waarin afspraken worden gemaakt over het einde van het dienstverband. Zowel voor werkgevers als werknemers is het daarom prettig als de inhoud van een vaststellingsovereenkomst zorgvuldig wordt beoordeeld door een gespecialiseerde jurist. De arbeidsspecialisten van RechtNet Advocaten helpen hierbij graag.

Ontslag zonder gerechtelijke procedure
De vaststellingsovereenkomst wordt onder meer vaak gebruikt als een werkgever van een medewerker af wil zonder hiervoor eerst een gerechtelijke procedure te moeten opstarten. Maar het kan ook zijn dat een werknemer zelf weg wil bij een bedrijf en wel het recht op een WW-uitkering wil behouden.

Afspraken tussen werkgever en werknemer
In de vaststellingsovereenkomst worden allerlei afspraken gemaakt tussen de werkgever en werknemer. Deze afspraken gaan bijvoorbeeld over de hoogte van een transitievergoeding, het omgaan met verlofdagen en de mogelijkheid om een WW-uitkering aan te vragen. De vaststellingsovereenkomst moet zowel door de werkgever als de werknemer worden getekend. Indien de gemaakte afspraken niet goed blijken te zijn en de overeenkomst toch wordt ondertekend, dan kan dit bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat een aanvraag voor een WW-uitkering bij het UWV wordt geweigerd.

Toetsen of geen zaken worden vergeten
Daarom is het verstandig om altijd eerst een arbeidsspecialist van RechtNet Advocaten naar de vaststellingsovereenkomst te laten kijken. Wij toetsen bijvoorbeeld of het recht op het aanvragen van een WW-uitkering van kracht blijft, maar ook hoe er met de resterende verlofuren wordt omgegaan en of er geen zaken worden vergeten in de overeenkomst.

Onderhandelingen voor optimaal resultaat
Verder bieden wij werknemers aan om na beoordeling van de vaststellingsovereenkomst namens hen de onderhandelingen te voeren met werkgevers voor een meer gunstige overeenkomst. Op die manier nemen wij hen alle zorgen over de vaststellingsovereenkomst uit handen en proberen wij voor hen een zo optimaal mogelijk resultaat te behalen.

Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073-6154311.

Cameratoezicht in het toilet gaat te ver

Inbreuk op de privacy

De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) stelt dat cameratoezicht in of rond een winkel, horecagelegenheid of sportclub kan helpen om eigendommen, bezoekers en personeel te beschermen. Maar tegelijkertijd geeft de AP aan dat de inbreuk op de privacy van klanten en werknemers groot is. Daarom mogen ondernemers en instellingen alleen camera’s ophangen als zij aan een aantal voorwaarden voldoen. Ook moeten zij ervoor zorgen dat de inbreuk op de privacy van de klanten en het personeel zo klein mogelijk is.

Bloot in beeld

Een camera in een pashokje, kleedkamer of toilet gaat volgens de AP te ver, omdat mensen dan bloot in beeld kunnen komen. Dit vormt een grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. Het inzetten van het cameratoezicht moet noodzakelijk zijn voor de doelen die de opdrachtgever wil bereiken. Daaronder vallen de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit: De opdrachtgever moet altijd nagaan of het inzetten van cameratoezicht het geschikte middel is om het doel te bereiken. Staat het inzetten van cameratoezicht in verhouding tot het doel dat hij wil bereiken? Of kan dit doel ook worden bereikt met een minder ingrijpend middel?

Verplicht informeren over cameratoezicht

Heimelijk cameratoezicht (een verborgen camera) is in beginsel niet toegestaan en zelfs strafbaar, heel specifieke uitzonderingen daargelaten. Bijvoorbeeld wanneer er een concrete verdenking is van diefstal en het ondanks allerlei inspanningen nog niet is gelukt hier een einde aan te maken. Bij cameratoezicht zijn partijen altijd verplicht om eerst een DPIA uit te voeren. Dit is een uitgebreide risicobeoordeling van de privacy-effecten van het cameratoezicht voor betrokkenen. Daarnaast is het verplicht om betrokkenen te informeren over de inzet van cameratoezicht. Er kunnen bijvoorbeeld bordjes worden opgehangen waarop wordt aangegeven dat er camera’s hangen.

Richtlijn voor bewaren camerabeelden

Camerabeelden mogen bovendien niet langer worden bewaard dan noodzakelijk voor de te bereiken doeleinden. Bij het bewaren van camerabeelden neemt de AP als richtlijn dat dit niet langer dan vier weken is. Maar als een incident wordt vastgelegd, mogen de beelden bewaard worden totdat dit incident is afgehandeld.

Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073-6154311.

Hoger salaris gemachtigde bij de kantonrechter

Het salaris gemachtigde bij de kantonrechter is per 1 januari 2019 hoger geworden. Met ingang van deze datum heeft voor het eerst in 14 jaar een indexatie plaatsgevonden van 20,1 procent, waardoor de kosten bij gerechtelijke procedures bij de kantonrechter voortaan ruimer worden vergoed dan voorheen.

In mei 2018 zijn de liquidatietarieven bij rechtbanken en gerechtshoven reeds geïndexeerd. Dit was in eerste instantie vooral voordelig voor procespartijen die een advocaat hadden ingeschakeld. Want de indexatie gold uitsluitend voor de advocaatkosten en niet voor de kosten voor rechtsbijstand van de procespartij die de rechtszaak heeft gewonnen.

Verliezer betaalt proceskosten

De hoofdregel is nu geworden dat de partij die in de gerechtelijke procedure in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld in de proceskosten. De verliezer betaalt dus de proceskosten. Ook het griffierecht dient volledig te worden betaald door de partij die in het ongelijk is gesteld door de rechtbank. Hiermee is de ongelijkheid in zaken, waarin procespartijen met of zonder advocaat procederen, nu rechtgetrokken.

Griffierechten en deurwaarderskosten geïndexeerd

Overige tarieven zijn niet gewijzigd per 1 januari 2019. De griffierechten en deurwaarderskosten zijn zoals gebruikelijk jaarlijks geïndexeerd binnen de gebruikelijke marges. Het griffierecht voor de meeste belastingzaken in eerste aanleg voor natuurlijke personen gaat van 46 naar 47 euro. Voor een aantal specifieke belastingzaken – onder andere dividendbelasting, omzetbelasting en BPM – stijgt het tarief voor natuurlijke personen van 170 naar 174 euro. Voor rechtspersonen geldt in alle belastingzaken dat het tarief stijgt van 338 naar 345 euro. In hoger beroep en cassatie stijgt in de meeste belastingzaken het griffierecht voor natuurlijke personen van 126 naar 128 euro. In de specifieke belastingzaken stijgt het tarief voor natuurlijke personen van 253 naar 259 euro. Voor rechtspersonen geldt in alle belastingzaken dat het tarief stijgt van 508 naar 519 euro.

Ook de bedragen van de dwangsom bij niet tijdig beslissen, de vergoeding voor aanmaning en enkele bedragen uit het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn geïndexeerd.

Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073-6154311.

Welke gevolgen heeft de invoering van de AVG voor uw bedrijf?

De invoering van de nieuwe Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) brengt voor bedrijven en organisaties behoorlijke wijzigingen met zich mee. Voor bedrijven die op 25 mei nog niet voldoen aan de nieuwe wetgeving, kan dit flinke nadelige gevolgen hebben. Bedrijven en overheden werken vaak met grote hoeveelheden data die te herleiden zijn tot personen, zoals medische gegevens, financiële gegevens en gegevens over zoekgedrag op internet. Tegelijkertijd vinden we met elkaar dat iedereen in vrijheid moet kunnen leven. De AVG geeft burgers daarom meer rechten en organisaties meer plichten om zorgvuldig met persoonsgegevens om te gaan.

Wat houdt de AVG in?

De AVG vervangt de huidige Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en geldt voor alle bedrijven en organisaties. Onder de AVG moet expliciete toestemming zijn gegeven voor het verzamelen van persoonsgegevens. Dit zijn niet alleen NAW-gegevens, telefoonnummers, e-mailadressen, geboortedatum, maar ook GPS locatiegegevens en device-ID van een telefoon.

De belangrijkste vernieuwingen rondom de AVG zijn in vijf pijlers op te delen:
* Transparantie
Bedrijven moeten betrokkenen informeren over hoe de persoonsgegevens worden verzameld en verwerkt. Daarnaast moet dit op een begrijpelijke manier worden gecommuniceerd.
* Verantwoording
Bedrijven en organisaties zijn zelf verantwoordelijk om aan te kunnen tonen dat zij zich aan de wet houden. Bovendien hebben ze een documentatieplicht, een bewijsplicht en de verantwoordelijkheid om privacyrisico’s terug te dringen met betrekking tot persoonsgegevens.
* Consumentenrechten
Bedrijven moeten persoonsgegevens wissen als de persoon hierom vraagt. Dit dient per direct te gebeuren, doch uiterlijk binnen een maand. Dit geldt tevens voor data die inmiddels is gedeeld met derde partijen.
* Meldplicht rond datalekken
Bedrijven zijn verplicht om binnen 72 uur een datalek te melden, tenzij kan worden aangetoond dat het lek geen gevaar is voor de personen waarover de gegevens zijn verzameld.
* Privacy by design en privacy by default
Privacy by design betekent dat bij de ontwikkeling van nieuwe producten of diensten zorgvuldig met persoonsgegevens om wordt gegaan. Privacy by default betekent dat maatregelen worden genomen om standaard alleen de noodzakelijke gegevens te verzamelen voor het doel waarvoor ze worden verzameld.

Voldoet uw bedrijf aan de AVG?

De AVG is door de EU samengevat in een flink aantal regels. Maar niet iedereen is juridisch geschoold. Daardoor is het soms lastig om alle regels te begrijpen. Er wordt daarom een beroep gedaan op het gezonde verstand van de verantwoordelijke personen binnen bedrijven. Eén van de zaken die vrijwel altijd noodzakelijk is, is bijvoorbeeld om een verwerkingsregister op te stellen waarin iedere verwerking van persoonsgegevens moet zijn gedocumenteerd. Als u op één van onderstaande vragen “nee”of “weet niet” moet antwoorden, voldoet u hoogst waarschijnlijk niet aan de AVG:

  • Heeft u een privacymelding op uw website staan die op elke pagina eenvoudig toegankelijk is?
  • Klopt deze privacymelding met de werkelijkheid en is deze juridisch en operationeel getoetst?
  • Heeft u een cookiemelding op uw website die voldoet aan de AVG?
  • Heeft u in duidelijke taal beschreven welke cookies u verzamelt?
  • Kunnen uw websitebezoekers kiezen welke cookies zij wel en niet toestaan?
  • Heeft u een (als u een groot bedrijf bent of met veel persoonlijke data) functionaris gegevensbescherming?
  • Als u nieuwsbrieven verstuurt, heeft u daarvoor toestemming en kunt u dat achteraf bewijzen?
  • Is er een privacy beleid binnen uw organisatie opgesteld en wordt dat actief onderhouden?
  • Zijn uw medewerkers voorgelicht over de inhoud van de AVG en weten zij wat zij voortaan wel en niet meer mogen doen?
  • Heeft u in kaart gebracht welke leveranciers mogelijk in aanraking komen met persoonsgegevens die door u worden verwerkt en heeft u daarmee gegevensbewerkingsovereenkomsten en afspraken gemaakt?
  • Heeft u een procedure opgesteld indien er een datalek plaatsvindt?
  • Maakt u gebruik van Google Analytics en heeft u
  • Kunnen personen verzoeken om hun gegevens door uw bedrijf te laten verwijderen en kunt u daaraan voldoen?
  • Heeft u een verwerkingsregister waarin staat waar en door wie welke persoonsgegevens worden bijgehouden?
  • Voldoen uw voorwaarden aan de AVG?
  • Heeft u procedures gezekerd waarmee u kunt garanderen dat persoonsgegevens die u verwerkt ook na de toegezegde tijd weer worden verwijderd?
  • Vraagt u bij alle activiteiten altijd alleen maar die gegevens die echt noodzakelijk zijn?
  • Heeft u persoonsgegevens wel voldoende afgeschermd voor andere medewerkers die geen directe betrokkenheid hebben met de betrokkene?

Wat zijn de gevolgen van de AVG voor uw bedrijf

Toezichthouders kunnen bovendien hoge boetes opleggen bij overtredingen van de AVG, zowel aan de verwerkingsverantwoordelijke als de verwerker. Voor grote bedrijven kunnen deze zelfs oplopen tot maximaal 20.000.000 euro, of 4% van de wereldwijde omzet. Wilt u de gevolgen van de invoering van de AVG voor uw bedrijf in kaart brengen? Neem dan contact op met Rechtnet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073-6154311.

Cryptovaluta: is dit geld of een goed?

Cryptovaluta

De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft in een recente uitspraak in een kort geding bevestigd dat cryptovaluta (bv. Bitcoin of Ethereum) aangemerkt moet worden als een ‘goed’ en niet als ‘geld’.[1] Daarmee volgt de rechter het arrest van het Europese Hof van Justitie.[2] Een belangrijk gevolg van deze definitie is dat op de levering van Bitcoins (en andere cryptovaluta) een dwangsom kan worden gelegd.

 

De samenwerking

In deze kwestie heeft de eisende partij een onderneming, die cryptovaluta aanbiedt aan haar klanten. In dit geval betreft het Ethereum. De tegenpartij beheert op haar beurt een groot datacentrum. In dit datacentrum bevinden zich zowel haar eigen computers, als ook van haar klanten.

Eiser heeft op een zeker moment twintig computers van de tegenpartij gekocht. Deze computers waren speciaal geschikt voor het minen van Ethereum. De computers van eiser zijn in het datacentrum van de tegenpartij geplaatst. Dit datacentrum is zo ingericht, dat de computers op vol vermogen kunnen minen. Partijen zijn hierbij overeengekomen, dat de tegenpartij het binnengehaalde Ethereum zou overmaken aan de eiser, onder aftrek van een commissie van 10%.

Op een gegeven moment is er discussie ontstaan over de hoeveelheid Ethereum, die gemined is. De eiser stelt zich op het standpunt dat hij nog een grote hoeveelheid Ethereum dient te krijgen. De tegenpartij stelt daar tegenover dat er al te veel Ethereum is overgemaakt en dat zij vergeten is om de commissie van 10% in te houden. De standpunten van partijen staan zodoende haaks op elkaar.

De discussie is uiteindelijk zo ver opgelopen dat de tegenpartij de computers van eiser heeft afgesloten van het netwerk. In dit kort geding heeft de eiser daarom afgifte van de Ethereum en van de computers gevorderd. Op straffe van een dwangsom. De tegenpartij vordert op haar beurt teruggave of vergoeding van het te veel geleverde Ethereum.

 

Meten is weten

De Voorzieningenrechter legt de bewijslast van de hoeveelheid Ethereum bij de tegenpartij neer. Als professioneel bedrijf moet zij kunnen aantonen, hoeveel Ethereum er is gemined en hoeveel er is geleverd aan de eiser.

De tegenpartij voert aan dat door haar niet exact is bijgehouden hoeveel Ethereum de computers van eiser hebben gemined. Dit is volgens de tegenpartij niet eenvoudig te controleren, omdat ook haar eigen computers en de computers van andere klanten in het datacentrum stonden. Hiervoor zou een deskundige moeten worden ingeschakeld. De Voorzieningenrechter is van mening dat dit bewijsprobleem voor rekening en risico van de tegenpartij moet komen. Zij had moeten zorgen voor een nauwkeurig meetbaar resultaat.

Aangezien de tegenpartij onvoldoende bewijs heeft, kan haar verweer in dit kort geding niet slagen. Daarnaast staat het onomstotelijk vast dat de tegenpartij nog twintig computers van de eiser in haar datacentrum heeft staan. De Voorzieningenrechter zal de vorderingen van de eiser daarom toewijzen.

 

Cryptovaluta: Geld of goed?

Vervolgens komt de Voorzieningenrechter toe aan een belangrijke afweging. Een dwangsom kan niet worden opgelegd, indien iemand wordt veroordeeld tot betaling van een geldsom (art. 611a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Daarom moet worden beoordeeld of Ethereum aangemerkt moet worden als geld.

De Voorzieningenrechter sluit aan bij het oordeel van het Europese Hof van Justitie. Het Hof heeft geoordeeld, dat Bitcoin in fiscale zin niet aangemerkt wordt als geld. Bitcoin kan namelijk (nog) niet gebruikt worden als betaalmiddel in het reguliere betalingsverkeer en wordt door verkopers ook (nog) niet als zodanig geaccepteerd. Hetzelfde geldt voor Ethereum. Dit betekent dat ook Ethereum aangemerkt moet worden als een ‘goed’. Aan het overmaken van Ethereum kan daarom een dwangsom worden verbonden door de rechter!

 

RechtNet Advocaten

Doet u ook zaken in Bitcoins of andere cryptovaluta? Houd u dan goed rekening met de digitale problematiek, die hierbij komt kijken. Zorg er bijvoorbeeld voor dat u de beschikking hebt over een meetsysteem (indien mogelijk), dat exact bijhoudt hoeveel uw computers minen. Ook heldere afspraken maken over de verdeling van de opbrengst, is een goed alternatief. Hierbij kunt u denken aan een verdeling naar rato van het bijgedragen vermogen.

Daarnaast dient u er rekening mee te houden dat cryptovaluta in juridische zin nog niet aangemerkt wordt als geld, zodat op de levering hiervan een dwangsom kan worden opgelegd. Dit heeft als gevolg dat u verplicht kunt worden om cryptovaluta te leveren met daar bovenop een geld bedrag. Als u niet meewerkt, dan kunt u in principe tweemaal financieel worden gestraft.

Heeft u juridische vragen over cryptovaluta en de mogelijke vorderingen die u hierbij kunt instellen? Neem dan vrijblijvend contact op met RechtNet Advocaten. RechtNet Advocaten kan u adviseren, zodat u – juridisch gezien – op dit relatief nieuwe werkgebied ook op correcte wijze handelt.

 

U kunt ons bereiken op telefoonnummer 073 – 615 43 11 of via de e-mail: info@rechtnet.nl

 

mr. M.L.A. (Martijn) van Hurne

 

[1] – Vzr. rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, 7 december 2017, ECLI:NLRBME:2017:6646
[2] – HvJ EU 22 oktober 2015, C-264/14 (Hedqvist)

MEER INFORMATIE ONTVANGEN?

Vul het formulier in voor meer informatie



Sluiten