Interieurbouwer krijgt factuur alsnog volledig betaald voor het kantongerecht in Eindhoven

Een interieurbouwbedrijf uit Breda heeft in 2016 en 2017 werkzaamheden uitgevoerd aan de keuken en badkamer van een gezin uit Best. Ondanks verschillende aanmaningen is een factuur van zo’n 7.400 euro in 2019 nog altijd niet betaald. Het interieurbouwbedrijf schakelt daarom RechtNet Advocaten in. De kantonrechter van de Rechtbank Oost-Brabant in Eindhoven, die deze zaak behandelt, stelt het interieurbouwbedrijf uiteindelijk in het gelijk.

Het gezin uit Best weigert een deel van de rekening te betalen, omdat zij vinden dat het interieurbouwbedrijf een aantal werkzaamheden niet deugdelijk heeft uitgevoerd. Zo was er in september 2017 een defect aan de keukenkraan en waren er problemen met de afvoer van de douche. Toch hebben zij het interieurbouwbedrijf pas in mei 2019 per brief in gebreke gesteld. Het gezin vindt dat het interieurbouwbedrijf de schade heeft veroorzaakt en eist daarom een vordering van bijna 6.300 euro aan herstelkosten en andere gemaakte kosten.

Bekwame tijd

RechtNet Advocaten voert namens het interieurbouwbedrijf het verweer voor de kantonrechter in Eindhoven. Zij geeft aan dat het bedrijf pas in februari 2019 voor het eerst iets heeft gehoord over de gebreken. Het gezin heeft dus verzuimd om binnen een bekwame tijd de gebreken kenbaar te maken. Verder had van het gezin verwacht mogen worden dat zij al eerder een deskundigenonderzoek hadden laten uitvoeren, in plaats van meer dan twee jaar na afronding van de werkzaamheden. Hierdoor kan niet meer vast komen te staan dat de gebreken te wijten zijn aan het werk van de interieurbouwer.

Ten onrechte niet betaald

De rechtbank in Eindhoven trekt in haar oordeel eveneens de conclusie dat het gezin uit Best niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd. Hierdoor kunnen zij zich niet meer beroepen op de volgens hen gebrekkige prestatie van het interieurbouwbedrijf. De kantonrechter stelt daarom dat het restant van de factuur ten onrechte nog niet is betaald. Hij veroordeelt het gezin daarom om het restant van de openstaande factuur plus de wettelijke rente en de kosten van de rechtszaak te betalen.