Waar bent u naar op zoek?

RechtNet Advocaten

Blog

Rechtbank Limburg: geen opbouw van vakantiedagen tijdens slapend dienstverband

Een recente beschikking van de kantonrechter Roermond laat zien dat onduidelijke arbeidsvoorwaarden en een gebrekkige re-integratieaanpak grote gevolgen kunnen hebben voor een werkgever. Tegelijkertijd oordeelde de kantonrechter ook dat na het einde van de loondoorbetalingsverplichting geen verdere vakantieopbouw meer plaatsvindt. De vordering van de werknemer voor ruim 170 vakantie-uren over de periode van het slapend dienstverband werd daarom afgewezen.

Bekijk hier onze rechtsgebieden

De werknemer was sinds 2018 in dienst als administrateur en viel in februari 2022 uit wegens ziekte. Na een langdurig traject, waarin het UWV een loonsanctie oplegde wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen, werd de arbeidsovereenkomst uiteindelijk per 1 september 2025 beëindigd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.
Een van de meest in het oog springende onderdelen van de uitspraak betreft de vraag of tijdens een slapend dienstverband nog vakantiedagen worden opgebouwd. Over dat onderwerp bestaat in de rechtspraak en literatuur al geruime tijd discussie. De kantonrechter in Roermond koos ervoor om, ondanks aangekondigde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, toch zelf een inhoudelijk oordeel te geven.

Europese recht

Dat oordeel viel uit in het voordeel van de werkgever. Onder verwijzing naar recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde de kantonrechter dat artikel 7:634 BW niet in strijd is met het Europese recht. Volgens de rechtbank volgt uit die Europese rechtspraak dat nationale regels de cumulatie van vakantiedagen bij langdurige arbeidsongeschiktheid mogen beperken. Dat brengt volgens de kantonrechter mee dat na het einde van de loondoorbetalingsverplichting geen verdere vakantieopbouw meer plaatsvindt. Voor wat betreft de periode vóór het slapend dienstverband heeft de werknemer volgens de kantonrechter wel recht op uitbetaling van eerder opgebouwde, maar niet-genoten vakantieuren. De werkgever meende dat de wettelijke vakantiedagen waren vervallen, maar de kantonrechter gaat daar niet in mee. Een belangrijke reden hiervoor was dat de werkgever onvoldoende kon onderbouwen dat de werknemer daadwerkelijk in staat was gesteld om vakantie op te nemen. Ook was niet duidelijk of de werknemer duidelijk was gewezen op het risico dat wettelijke vakantiedagen na verloop van tijd zouden vervallen. De werkgever moet daarom alsnog 18.400 euro betalen aan niet-genoten vakantiedagen, te vermeerderen met wettelijke verhoging en rente.

Bekijk hier onze incasso diensten

Pensioenopbouw

Ook voor wat betreft zijn pensioenopbouw kreeg de werknemer gelijk. In de arbeidsovereenkomst was opgenomen dat hij aan een pensioenverzekering via de werkgever zou deelnemen, waarbij de nadere invulling nog tussen partijen zou worden besproken. Die nadere afspraken zijn echter nooit gemaakt. De werkgever stelde dat pensioenopbouw pas na één jaar zou ingaan, maar kon dat niet onderbouwen.
De kantonrechter paste daarom de Haviltex-maatstaf toe en keek naar wat partijen over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Belangrijk hierbij was dat de arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar was aangegaan. Daarom lag het volgens de rechtbank niet voor de hand dat een pensioenregeling zou worden afgesproken die pas ná afloop van dat eerste contractjaar zou ingaan. De werknemer mocht daarom aannemen dat hij vanaf de aanvang van het dienstverband deelnam aan de pensioenregeling.

Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

Vragen? Neem contact met ons op