Een zorgmedewerkster die jarenlang meer uren werkte dan contractueel was afgesproken, heeft geen recht op loondoorbetaling tijdens ziekte op basis van een 40-urige werkweek. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch vindt dat haar werkgever het wettelijke rechtsvermoeden van een grotere arbeidsomvang voldoende heeft weerlegd. Ook het verzoek van de vrouw om een billijke vergoeding wegens tekortschietende re-integratie wordt afgewezen.
Bekijk hier onze rechtsgebieden
De vrouw werkte sinds 2004 bij een zorginstelling als teamleider ZorgThuis, met een contract voor 36 uur per week. Tussen november 2017 en maart 2020 werkte zij regelmatig meer uren, die maandelijks zijn uitbetaald. Na een eerste ziekteperiode hervatte zij haar werkzaamheden voor 36 uur per week. In april 2021 viel zij opnieuw uit vanwege een ernstige ziekte.
De werkgever beëindigt het dienstverband per 1 mei 2024 met toestemming van het UWV. De werkneemster is van mening dat haar feitelijke arbeidsomvang inmiddels 40 uur bedroeg en vordert in een zaak bij de kantonrechter onder meer achterstallig loon, aanvullende arbeidsvoorwaarden en een hogere transitievergoeding. Daarnaast eist zij 20.000 euro aan billijke vergoeding wegens vermeende tekortkomingen bij haar re-integratie. Omdat de kantonrechter haar verzoeken afwijst, gaat de medewerkster in hoger beroep bij het gerechtshof.
Rechtsvermoeden weerlegd
Volgens de wet wordt de overeengekomen arbeidsomvang vermoed gelijk te zijn aan het gemiddelde aantal gewerkte uren in de voorafgaande drie maanden. Dit zogenoemde rechtsvermoeden geldt ook wanneer een werknemer met een vast aantal contracturen structureel meer werkt.
De werkneemster baseert haar aanspraak op de periode mei tot en met juli 2019, toen zij gemiddeld 41,6 uur per week werkte. Daarmee kon zij het rechtsvermoeden inroepen, maar dat vermoeden is weerlegbaar. De werkgever hoeft daarvoor slechts voldoende twijfel op te roepen over de juistheid van de veronderstelde arbeidsomvang. Volgens het hof slaagt de werkgever daarin. Hij heeft aangevoerd dat het overwerk niet structureel was en dat de door de medewerkster gekozen periode niet representatief is. In deze drie maanden is door excessief overgewerkt, zo voert de werkgever aan onder verwijzing naar het urenoverzicht over de periode 2016 – 2020. De zorginstelling werkt met een jaarurensystematiek waarin meer- en minderuren worden geregistreerd en gecompenseerd. Dat leidt niet automatisch tot aanpassing van de contractuele arbeidsduur.
Bekijk hier onze incasso diensten
Waarheidsplicht geschonden
De werkneemster overlegt vervolgens vijf verklaringen van collega’s om aan te tonen dat structureel overwerk gebruikelijk was. Tijdens de zitting blijkt echter dat zij deze zelf heeft opgesteld als samenvatting van gesprekken. Het hof oordeelt dat zij daarmee de waarheidsplicht van artikel 21 Rv ernstig heeft geschonden en laat de verklaringen buiten beschouwing.
Ook de gevorderde billijke vergoeding wordt afgewezen. Hoewel het arbeidsdeskundig onderzoek en het tweede spoortraject te laat zijn gestart, heeft de werkgever volgens het hof voldoende re-integratie-inspanningen verricht. De adviezen van de bedrijfsarts zijn gevolgd en er is rekening gehouden met de beperkte belastbaarheid. De vrouw heeft ook niet aangetoond dat de vertragingen het herstel of de re-integratie hebben belemmerd.
Het hof bekrachtigt de eerdere uitspraak van de kantonrechter en veroordeelt de werkneemster tot betaling van 3.433 euro aan proceskosten. De uitspraak bevestigt dat langdurig en betaald overwerk niet automatisch leidt tot een grotere contractuele arbeidsomvang. Doorslaggevend is of de feitelijk gewerkte uren een representatief beeld geven van de overeengekomen arbeidsduur.
Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.
Vragen? Neem contact met ons op

