De Hoge Raad heeft een belangrijk oordeel gegeven over de juridische positie van spelers, die geld hebben verloren bij online kansspelaanbieders zonder Nederlandse vergunning. Deze spelers kunnen niet zomaar hun verlies terugvorderen op basis van nietigheid (of vernietigbaarheid) van de overeenkomst.

Bekijk hier onze rechtsgebieden

De uitspraak volgt op prejudiciële vragen van de rechtbanken Amsterdam en Noord-Holland. In beide zaken hadden spelers aanzienlijke bedragen verloren bij buitenlandse aanbieders, die destijds zonder Nederlandse vergunning actief waren. Zij vonden dat de gesloten kansspelovereenkomsten ongeldig waren, omdat het aanbieden van online kansspelen zonder vergunning verboden is op grond van de Wet op de kansspelen (Wok). Op basis daarvan eisten zij hun verliezen terug.

Overtreding maakt overeenkomst niet ongeldig

De Hoge Raad gaat hier echter niet in mee. Volgens de hoogste rechter verbiedt de Wok weliswaar het aanbieden van online kansspelen zonder vergunning, maar betekent een overtreding van dat verbod niet automatisch dat de onderliggende overeenkomst ongeldig is.

In de wet staat namelijk geen bepaling die dergelijke overeenkomsten nietig of vernietigbaar zou verklaren. Als de wetgever wil dat overeenkomsten met illegale aanbieders automatisch ongeldig zijn, dan moet dit uitdrukkelijk in de wet worden opgenomen. Dat is echter nooit gebeurd. Ook niet toen in 2021 de Wet kansspelen op afstand werd ingevoerd en het mogelijk werd om met een vergunning legaal online kansspelen aan te bieden. Er is wel sprake van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving, bijvoorbeeld door toezicht en sancties via de Kansspelautoriteit.

Bekijk hier onze incasso diensten

Geen algeheel verbod

De Hoge Raad verwerpt het argument dat deze overeenkomsten in strijd zijn met de openbare orde of de goede zeden. Nederland kent immers geen algeheel verbod op kansspelen. Het Nederlandse beleid is juist gericht op het reguleren en kanaliseren van het spelaanbod naar legale aanbieders. Dat een aanbieder zonder vergunning opereert, maakt de inhoud van de overeenkomst volgens de Hoge Raad op zichzelf nog niet onaanvaardbaar.

Dat betekent overigens niet dat spelers in alle gevallen met lege handen staan. De Hoge Raad benadrukt dat onder omstandigheden nog steeds een beroep mogelijk is op andere civielrechtelijke grondslagen, zoals dwaling, misleiding of onrechtmatige daad. Of een speler op die manier alsnog recht heeft op schadevergoeding of vernietiging van een overeenkomst, zal per zaak afzonderlijk moeten worden beoordeeld.

Richtinggevend oodeel

Met deze uitspraak geeft de Hoge Raad een belangrijk richtinggevend oordeel voor de vele procedures die momenteel lopen tegen buitenlandse online kansspelaanbieders. Voor spelers betekent dit dat een beroep op de enkele omstandigheid dat een aanbieder zonder Nederlandse vergunning opereerde, niet voldoende is om verloren speelgelden terug te vorderen. Wie alsnog aanspraak wil maken op vergoeding van schade, zal zijn vordering moeten baseren op andere juridische argumenten en de specifieke omstandigheden van het geval moeten aantonen.

Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

Vragen? Neem contact met ons op

    Een burgemeester die een woning wil sluiten vanwege drugsvondsten, moet goed kunnen onderbouwen waarom die maatregel nog noodzakelijk is als er reeds een lange tijd is verstreken sinds de overtreding. Dat blijkt uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over een woning in Breda. De uitspraak toont aan dat tijdsverloop een steeds belangrijkere rol speelt binnen de evenredigheidstoets bij toepassing van artikel 13b van de Opiumwet, beter bekend als de Wet Damocles.

    Bekijk hier onze rechtsgebieden

    In de betreffende zaak trof de politie op 10 augustus 2023 een grote hoeveelheid drugs aan in een woning in Breda. De burgemeester besloot daarop de woning voor drie maanden te sluiten. Dat hij bevoegd was om op te treden, stond niet ter discussie. De omvang van de aangetroffen drugs maakte duidelijk dat sprake was van een ernstige overtreding van de Opiumwet. Toch liep de gemeente uiteindelijk vast op de vraag of de sluiting bijna een jaar later nog wel noodzakelijk en evenredig was.

    Onvoldoende gemotiveerd

    De feitelijke sluiting van het pand vond namelijk pas elf maanden na de inval plaats. Volgens de Raad van State is dat tijdsverloop van groot belang. De Afdeling oordeelt dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de openbare orde op dat moment nog zodanig was verstoord dat sluiting van de woning noodzakelijk bleef.

    Bovendien hadden zich in de tussenliggende periode geen nieuwe incidenten voorgedaan. Er waren geen signalen van recidive, geen meldingen van overlast en geen aanwijzingen dat de woning nog een rol speelde in het drugscircuit. Onder die omstandigheden mag volgens de Afdeling worden aangenomen dat de situatie ter plaatse inmiddels is hersteld.

    Uit deze uitspraak blijkt dat de ernst van de oorspronkelijke overtreding niet automatisch voldoende blijft om maanden later nog een sluiting te rechtvaardigen. Naarmate meer tijd verstrijkt tussen de constatering van de overtreding en de daadwerkelijke sluiting, moet een burgemeester concreter kunnen onderbouwen waarom de maatregel nog steeds geschikt en noodzakelijk is.

    Bekijk hier onze incasso diensten

    Herstel van openbare orde

    De nadruk verschuift steeds meer van een vrijwel automatische toepassing van sluitingsbeleid naar een zwaardere toets op proportionaliteit en actualiteit. Gemeenten kunnen dus niet langer uitsluitend leunen op standaardbeleid of de omvang van de aangetroffen drugs.

    De uitspraak onderstreept dat toepassing van artikel 13b Opiumwet maatwerk blijft. Een burgemeester moet niet alleen aantonen dát sprake is van een ernstige overtreding, maar ook waarom een sluiting op het moment van besluitvorming nog daadwerkelijk bijdraagt aan herstel van de openbare orde. Zeker bij fors tijdsverloop wordt die motiveringsplicht steeds zwaarder.

    Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

    Vragen? Neem contact met ons op

      De Commissie van Beroep van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) vindt dat pas sprake is van grof nalatig handelen als een consument zich bewust is van het feit dat hij slachtoffer dreigt te worden van bankhelpdeskfraude en er toch voor kiest de instructies op te volgen van de persoon die zich voordoet als bankmedewerker. Indien een consument niet grof nalatig heeft gehandeld, moet de bank in beginsel het bedrag aan de consument terugbetalen, zoals de wet voorschrijft (artikel 7:528 BW).

      Bekijk hier onze rechtsgebieden

      In een beroepsprocedure die diende onlangs bij de Commissie van Beroep van Kifid had een consument, met een bankrekening bij bunq, een phishing mail ontvangen die van haar bank leek te komen. Ze werd gevraagd om ‘de validatie van haar bankrekening af te ronden’ vanwege klantveiligheid. De consument klikte op een link in de e-mail en vulde haar bankgegevens in. Dezelfde avond kreeg de consument een telefoontje van iemand die zich voordeed als bankmedewerker. Deze wist haar over te halen een aantal handelingen te doen, waaronder het doorgeven van haar 6-cijferige beveiligingscode. Hierdoor wist de fraudeur zijn eigen apparaat te koppelen aan het bankaccount van de consument. De fraudeur zette de spaarrekening van de consument om naar een betaalrekening, vroeg een virtuele creditcard aan en verhoogde de dagelijkse limieten. Hij maakte in het tijdsbestek van een uur in totaal ruim 50.000 euro over naar een cryptoplatform en een Spaans rekeningnummer.

      Fraudeonderzoek

      Nadat het telefoongesprek met de fraudeur was beëindigd, zag de vrouw dat er op haar rekening afschrijvingen waren gedaan. In vervolg hierop probeerde ze haar beveiligingscode te wijzigen om de betalingen tegen te houden, maar zonder resultaat. En ze zocht contact met de bank en gaf hun alle relevante informatie. De bank blokkeerde nog dezelfde nacht het account van de consument en startte met een fraudeonderzoek gestart. De volgende dag beëindigde de bank de rekening vanwege ongebruikelijke activiteiten. De consument deed aangifte van fraude en vond dat de bank haar het volledige bedrag moet terugbetalen.

      Bekijk hier onze incasso diensten

      Grove nalatigheid

      In deze zaak was veel te doen over de vraag wanneer sprake is van ‘grove nalatigheid’. Banken voerden regelmatig aan dat het delen van codes of het klikken op phishinglinks voldoende was om die kwalificatie aan te nemen. De Commissie van Beroep van Kifid brengt daar nu nuance in aan. Volgens deze uitspraak is van grove nalatigheid pas sprake als de consument zich daadwerkelijk bewust was van het risico op fraude en tóch de instructies van de oplichter opvolgde. Dat is een duidelijke verzwaring van de toets.

      Het enkele feit dat een consument veiligheidsregels niet strikt naleeft – bijvoorbeeld door een code te delen – is dus onvoldoende. Juist omdat bankhelpdeskfraude draait om misleiding en manipulatie, ontbreekt die bewuste risicoperceptie vaak.

      Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

      Vragen? Neem contact met ons op

        Bestuurders van een vennootschap zijn in beginsel niet persoonlijk aansprakelijk voor schulden van die vennootschap. Toch is die bescherming niet onbegrensd, zo blijkt uit een recente uitspraak van de rechtbank Den Haag. Met name bij het innen van voorschotten in financieel zwaar weer kan die persoonlijke aansprakelijkheid eerder om de hoek komen kijken dan van tevoren gedacht.

        Bekijk hier onze rechtsgebieden

        In deze zaak draait het om een aannemer die een woning verbouwde op basis van een aanneemsom in achttien termijnen. Die termijnen waren expliciet bedoeld als voorschotten op nog uit te voeren werkzaamheden.

        Aannemer gaat failliet

        Naarrmate het project vorderde, ontstond discussie over de verhouding tussen de gefactureerde termijnen en de daadwerkelijke voortgang van het werk. Ondanks twijfels betaalden de opdrachtgevers zowel de zestiende als de zeventiende termijnfactuur. Drie dagen na betaling van de laatste termijn ging de aannemer failliet.

        De opdrachtgevers bleven hierdoor met schade achter en stelden de bestuurder van het aannemingsbedrijf persoonlijk aansprakelijk. De rechtbank toetste die aansprakelijkheid aan twee bekende maatstaven uit de rechtspraak: de Beklamel-norm en de norm uit Ontvanger/Roelofsen.

        Bekijk hier onze incasso diensten

        Beklamel-norm

        De Beklamel-norm houdt in dat op het moment dat een bestuurder een onderneming bindt aan een overeenkomst, terwijl hij redelijkerwijs weet dat hij deze overeenkomst niet kan nakomen, deze bestuurder aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade.

        De norm uit Ontvanger/Roelofsen doet zich voor wanneer een bestuurder zowel de betaling als de verhaalsmogelijkheden frustreert. De eerste vraag was of de bestuurder al bij het aangaan van de overeenkomst had moeten voorzien dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Dat bleek niet het geval. De onderneming draaide op dat moment, had omzet gerealiseerd en had al een groot deel van de werkzaamheden uitgevoerd. Daarmee strandde aansprakelijkheid op basis van de Beklamel-norm voor die fase.

        Ook het verwijt dat ontvangen gelden oneigenlijk zouden zijn gebruikt, hield geen stand. Volgens de rechtbank is het niet zo dat betalingen van een opdrachtgever uitsluitend aan dat specifieke project moeten worden besteed. Zeker niet als de onderneming meerdere projecten en algemene kosten heeft. Zonder nadere onderbouwing kon niet worden vastgesteld dat sprake was van onbehoorlijk bestuur.

        Kort tijdsbestek

        De kern van de zaak lag echter bij de betaling van de zeventiende termijnfactuur. Slechts drie dagen na betaling besloot de bestuurder het faillissement aan te vragen. Dat korte tijdsbestek bleek voor de rechtbank cruciaal. Volgens de rechter moest ervan worden uitgegaan dat de financiële situatie op het moment van factureren al zodanig slecht was dat een faillissement onafwendbaar of op zijn minst zeer waarschijnlijk was. In die omstandigheden had de bestuurder moeten afzien van het laten betalen van een voorschot voor werkzaamheden die vrijwel zeker niet meer uitgevoerd zouden worden.

        Hier werd de Beklamel-norm wél geschonden, want de bestuurder wist of had moeten begrijpen dat de vennootschap haar verplichtingen niet meer zou kunnen nakomen. De bestuurder werd daarom aansprakelijk gesteld voor het bedrag van de zeventiende termijnfactuur, ruim 26.000 euro.
        De uitspraak laat zien dat bestuurders extra alert moeten zijn in de aanloop naar een mogelijk faillissement. Het innen van voorschotten voor toekomstige prestaties vormt een risico als duidelijk is dat die prestaties waarschijnlijk niet meer geleverd zullen worden. In zo’n situatie kan de stap van ondernemingsrisico naar persoonlijke aansprakelijkheid snel gezet zijn.

        Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

        Vragen? Neem contact met ons op

          Een regeling met finale kwijting lijkt vaak het sluitstuk van een juridisch geschil. Partijen spreken af dat zij na betaling of nakoming niets meer van elkaar te vorderen hebben, zodat het conflict definitief achter hen ligt. Toch blijkt uit een recente uitspraak van de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen dat zo’n bepaling minder absoluut kan zijn dan zij op het eerste gezicht lijkt.     

          Bekijk hier onze rechtsgebieden

          In deze zaak ging het om de bouw van een luxe villa met kelder en zwembad. Al kort na oplevering ontstonden vochtproblemen in de kelder. Er was onder meer sprake van blaasvorming in de coating van de vloer. De oorzaak hiervan leek destijds samen te hangen met vocht onder de coating, mogelijk door restvocht of een beperkte aanvoer van buitenaf.

          Schikking

          Na een oplopende discussie tussen de opdrachtgever en aannemer wordt in 2022 een schikking getroffen tussen beide partijen. Daarbij betaalde de aannemer een bedrag van 200.000 euro aan de opdrachtgever. De partijen verklaarden vervolgens over en weer niets meer van elkaar te vorderen te hebben ‘terzake het geschil dat tussen partijen is voortgevloeid uit de aannemingsovereenkomst’. Ook werd finale kwijting verleend aan elkaar. Daarmee leek de kwestie opgelost. Tot eind 2023 opnieuw ernstige vochtproblemen ontstaan. Dit keer ging het niet alleen om blaasvorming, maar om water dat daadwerkelijk op meerdere plaatsen de kelder binnendrong.

          Uit nader onderzoek blijkt dat sprake was van een andere oorzaak dan destijds was aangenomen. Niet alleen de situatie bij de garagedeur speelde een rol, maar ook een lekkage via de aansluiting tussen vloer en wand van de kelderconstructie. De opdrachtgever laat uiteindelijk vergaande herstelmaatregelen uitvoeren en vordert opnieuw schadevergoeding van de aannemer. Die beroept zich in eerste instantie op de eerder getroffen regeling. Volgens hem was de zaak al definitief afgewikkeld. De latere vochtproblemen vloeiden nog steeds voort uit dezelfde aannemingsovereenkomst, zodat ook deze claims onder de finale kwijting zouden vallen.

          De Raad van Arbitrage in bouwgeschillen ging hier echter niet in mee. De arbiters oordeelden dat de opdrachtgever als consument alleen aan die finale kwijting kon worden gehouden voor zover de oorzaken van de huidige vochtproblemen hem destijds bekend waren.

          Bekijk hier onze incasso diensten

          Onbekende gebreken of oorzaken

          Dat was volgens de Raad slechts beperkt het geval. De lekkage bij de garagedeur was op basis van het toenmalige deskundigenrapport wel bekend. Maar de lekkage via de aansluiting tussen vloer en wand van de kelderconstructie niet. Die kwam pas aan bod toen eind 2023 voor het eerst de grondwaterstand boven de constructievloer kwam. Dat in oudere onderzoeken grondwater ooit als theoretische mogelijkheid was genoemd, was volgens de arbiters niet genoeg.

          Daarmee toont deze uitspraak aan dat finale kwijting niet automatisch ook geldt voor destijds onbekende gebreken of oorzaken. Bij bouwgeschillen wordt finale kwijting vaak ruim geformuleerd. Toch kan later discussie ontstaan als zich nieuwe schade openbaart die wel verband houdt met dezelfde overeenkomst, maar waarvan de oorzaak bij het sluiten van de regeling nog niet bekend was. Wie volledige duidelijkheid wil, moet daarom goed vastleggen welke klachten, risico’s en mogelijke oorzaken wel en niet onder de regeling vallen. De les van deze uitspraak is helder: finale kwijting klinkt definitief, maar is dat niet altijd. Soms blijkt pas achteraf dat een geschil juridisch toch nog niet helemaal voorbij is.

          Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

          Vragen? Neem contact met ons op

            Een senior filiaalmanager van een autogarage die heeft gefraudeerd met zijn urenregistratie wordt door zijn werkgever op staande voet ontslagen. De kantonrechter keurt dit ontslag goed. De werkgever vindt dat hij ook geen transitievergoeding hoeft te betalen aan de ontslagen filiaalmanager, maar daar gaat de kantonrechter niet in mee. De werkgever moet hem een transitievergoeding van ruim 52.000 euro betalen.    

            Bekijk hier onze rechtsgebieden

            In deze zaak speelt mee dat de senior filiaalmanager al sinds 1996 in dienst is bij de autogarage en er nooit klachten zijn geweest over zijn functioneren. Tot twee medewerkers klachten indienen over de man, omdat hij regelmatig afwezig is en het niet zo nauw lijkt te nemen met de werktijden. Een hogere leidinggevende onderzoekt de klachten. Uit camerabeelden blijkt vervolgens dat de filiaalmanager in een periode van drie weken zo’n 41 uur niet aanwezig was tijdens reguliere werktijden, maar dat deze uren door hem wel als volledig gewerkt werden geregistreerd in het tijdregistratiesysteem.

            Frauderen met uren

            De senior filiaalmanager wordt eerst geschorst en krijgt na een gesprek met zijn hogere leidinggevende een brief waarin staat dat hij op staande voet wordt ontslagen vanwege het frauderen met zijn uren. Ook stelt het bedrijf dat de man geen recht heeft op een transitievergoeding. De senior filiaalmanager is het daar niet mee eens en stapt naar de kantonrechter. Hij vindt dat het ontslag niet rechtsgeldig is en eist onder meer een transitievergoeding.

            Bekijk hier onze incasso diensten

            Persoonlijke omstandigheden

            De man geeft aan dat hij regelmatig veel meer uren buiten de officiële openingstijden werkte en soms zelfs buiten de dagen waarop hij stond ingeroosterd. Die uren compenseerde hij op andere dagen. Dit gaat volgens hem al jaren zo en hij is hier nooit op aangesproken. Bovendien is de periode die het bedrijf heeft onderzocht niet representatief, omdat er destijds zaken speelden in de privésfeer, die veel aandacht van hem vergden, niet alleen qua tijd maar ook mentaal. Ook beroept hij zich op zijn persoonlijke omstandigheden en voert hij aan dat hij in de 28 jaar dat hij in dienst is van het garagebedrijf altijd vlekkeloos heeft gefunctioneerd en dat de financiële gevolgen van het ontslag desastreus zijn omdat hij kostwinner is van een gezin met jonge kinderen.

            Zware gevolgen

            Hoewel de rechter oordeelt dat het ontslag op staande voet juridisch terecht is gegeven, vindt hij wel dat de man recht heeft op een transitievergoeding van ruim 52.000 euro. Daarbij houdt de rechter rekening met het jarenlang vlekkeloze dienstverband en de zware persoonlijke en financiële gevolgen van het ontslag. Een rechtsgeldig ontslag op staande voet betekent dus niet automatisch dat een medewerker geen recht heeft op een transitievergoeding. Uit deze uitspraak blijkt eens te meer dat er onderscheid bestaat tussen een dringende reden en ernstig verwijtbaar handelen. Ontslag op staande voet blijft daarom ook altijd maatwerk.

            Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

            Vragen? Neem contact met ons op

              Naar aanleiding van een rapport van de Commissie Sociaal Minimum, dat liet zien dat het bestaansminimum in Nederland te laag ligt, is sinds juli 2024 het zogeheten Nulaanbod ingevoerd. Bij een Nulaanbod bieden schuldhulpverlenende organisaties regelingen aan waarbij mensen niets hoeven af te lossen.    

              Bekijk hier onze rechtsgebieden

              Schuldenexperts Nadja Jungmann en André Moerman vinden het onwenselijk dat mensen die feitelijk enige afloscapaciteit hebben, door de gehanteerde rekenmethode toch niets hoeven af te lossen en stellen dat het Nulaanbod in strijd is met de wet. Volgens de twee schuldenexperts staat het Nulaanbod haaks op het principe dat elke schuldenaar zijn uiterste best doet om bij een regeling van kwijtschelding toch zoveel mogelijk af te lossen.

              Draagvlak

              Daarnaast heeft de wetgever bewust bepaald dat schuldenaren altijd iets moeten bijdragen, al is het maar symbolisch. De gedachte hierbij is dat als schulden structureel worden kwijtgescholden zonder dat daar enige tegenprestatie tegenover staat, het draagvlak bij schuldeisers en bij de samenleving mogelijk verloren gaat. Schuldeisers moeten er volgens Moerman op kunnen vertrouwen dat er een eerlijke afweging wordt gemaakt. Als zij het gevoel krijgen dat het Nulaanbod te snel wordt toegepast, neemt volgens hem de bereidheid om mee te werken aan schuldregelingen af. Hij stelt dat we als samenleving moeten waken voor een cultuur waarin schulden vooral worden gezien als iets waar mensen zelf geen invloed op hebben. Natuurlijk is er vaak sprake van tegenslag of pech, maar schulden afbetalen is ook een kwestie van afspraken nakomen. Schuldhulp werkt volgens beide schuldenexperts alleen als er draagvlak is bij alle partijen. Dat vraagt om een eerlijk systeem, waarin bescherming hand in hand gaat met verantwoordelijkheid. Wie niet kan betalen moet geholpen worden, maar wie wel iets kan bijdragen moet daartoe worden aangemoedigd.

              Bekijk hier onze incasso diensten

              Kamervragen

              In een derde van de schuldregelingen wordt inmiddels een Nulaanbod gedaan, omdat het vrij te laten bedrag hoger is dan het inkomen. Tweede Kamerlid Don Ceder van ChristenUnie heeft hierover onlangs Kamervragen gesteld aan de staatssecretaris Participatie en Integratie en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
              Hij wil onder andere graag weten van de staatssecretarissen:

              • hoe het kabinet aankijkt tegen de rechtmatigheid van het Nulaanbod;
              • hoe het Nulaanbod zich verhoudt tot de wettelijke 5%-regeling bij de beslagvrije voet;
              • of het klopt dat inmiddels ongeveer een derde van de nieuwe schuldregelingen een Nulaanbod bevat;
              • en of het structureel toepassen van het Nulaanbod kan leiden tot een disbalans tussen schuldenaren en schuldeisers.

              Ook vraagt Ceder aandacht voor recente rechterlijke uitspraken waarin dwangakkoorden met een Nulaanbod zijn afgewezen, mede omdat in de wettelijke schuldsanering (Wsnp) betere waarborgen zijn voor een hogere afdracht door de schuldenaren aan de schuldeisers dan bij het Nulaanbod in het minnelijk traject. De beantwoording van deze Kamervragen biedt mogelijk meer duidelijkheid of het kabinet aanleiding ziet om het beleid rond het Nulaanbod bij te stellen. Zeker is wel dat het Nulaanbod inmiddels meer is dan een technische rekensom: het wordt steeds meer een principiële discussie over de kern van het Nederlandse schuldhulpstelsel.

              Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

              Vragen? Neem contact met ons op

                De Hoge Raad heeft onlangs een belangrijke uitspraak gedaan over de verrekeningsbevoegdheid bij verjaarde vorderingen. In twee arresten oordeelde de Hoge Raad dat een verjaarde vordering níet kan worden verrekend met een schuld die pas ná voltooiing van die verjaring is ontstaan.   

                Bekijk hier onze rechtsgebieden

                Artikel 6:131 lid van het Burgerlijk Wetboek stelt dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de vordering. In de praktijk wordt deze bepaling soms echter zo gelezen dat een verjaarde vordering altijd nog kan worden ingezet voor verrekening. De Hoge Raad oordeelt hier nu anders over.De Hoge Raad benadrukt dat het bewuste artikel uitsluitend is bedoeld om een bestaande verrekeningsbevoegdheid te laten voortbestaan. De bepaling zorgt niet voor een nieuwe verrekeningsmogelijkheid indien die bevoegdheid vóór verjaring nog niet bestond.

                Schuld verrekenen

                In de zaak tegen een warmteleverancier stond onder meer de vraag centraal of klanten hun verjaarde vorderingen tot terugbetaling van een aansluitbijdrage mochten verrekenen met hun lopende betalingsverplichtingen. Het hof oordeelde dat verjaring dit proces niet in de weg stond, mede gelet op het voortdurende karakter van de leveringsovereenkomst.
                De bepaling schept echter geen bevoegdheid tot verrekening van een reeds verjaarde vordering met een na de voltooiing van de verjaring ontstane schuld, zo vervolgt de Hoge Raad. In zo’n geval geldt onverkort het vereiste, opgenomen in art. 6:127 lid 2 BW, dat degene die zich op verrekening wil beroepen, bevoegd is tot het afdwingen van de betaling van de vordering waarmee hij zijn schuld wil verrekenen.

                Bekijk hier onze incasso diensten

                Afdwingen

                Volgens de raad is het moment waarop de schuld ontstaat waarmee wordt verrekend doorslaggevend. Is die schuld pas ontstaan ná het intreden van de verjaring van de tegenvordering, dan ontbreekt de verrekeningsbevoegdheid. In dat geval moet degene die zich op verrekening beroept, ook bevoegd zijn om de betaling van zijn vordering af te dwingen. Bij een verjaarde vordering is dat nu juist niet het geval.
                De Hoge Raad stelt dat artikel  6:131 BW met name is bedoeld voor situaties waarin partijen over en weer al vorderingen op elkaar hadden vóórdat verjaring intreedt. Degene die bevoegd is tot verrekening, zal zich vaak al als bevrijd beschouwen en pas later tot verrekening overgaan. Het zou onredelijk zijn als die mogelijkheid door tijdsverloop verloren zou gaan. Maar die bescherming strekt niet verder dan dat.

                Samenvattend:

                – Een verjaarde vordering kan alleen worden verrekend met een schuld die vóór of uiterlijk op het moment van verjaring is ontstaan.
                – Doorlopende rechtsverhoudingen, zoals duurovereenkomsten, rechtvaardigen geen automatische verruiming van de verrekeningsbevoegdheid.
                – Een algemeen beroep op artikel 6:131 BW volstaat niet: er moet altijd worden gekeken naar het ontstaan van de schuld waarmee wordt verrekend.

                Met deze uitspraak brengt de Hoge Raad het samenspel tussen artikel 6:127 en 6:131 BW scherp in beeld. Verrekening blijft mogelijk na verjaring, maar alleen binnen de grenzen van een reeds bestaande bevoegdheid. Voor schuldeisers én schuldenaren is dit arrest een duidelijke waarschuwing: wie te lang wacht, kan zijn vordering niet alsnog ‘redden’ via verrekening met later ontstane verplichtingen.

                Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

                Vragen? Neem contact met ons op

                  De Rechtbank Noord-Holland heeft een Regional Director van de Nederlandse vestiging van een internationaal datacenter een billijke vergoeding van 128.500 euro toegekend. De man had een vergoeding van 1,7 miljoen euro geëist. De directeur werd na een melding van grensoverschrijdend gedrag en aanvullend onderzoek van zijn werkgever onterecht op staande voet ontslagen. De rechter houdt in zijn oordeel rekening met het feit dat niet kan worden uitgesloten dat de melding van grensoverschrijdend gedrag uiteindelijk (ook bij zorgvuldig handelen van het datacenter) tot een onoverbrugbaar verschil van inzicht over de wijze van leidinggeven door de directeur had geleid.  

                  Bekijk hier onze rechtsgebieden

                  De man werkt sinds 2019 bij het datacenter als Regional Director. In de loop van 2025 krijgt de HR-afdeling via een externe beveiliger van het bedrijf een melding binnen over mogelijk grensoverschrijdend gedrag van de man. Naar aanleiding van deze melding start het bedrijf een intern onderzoek. Hierbij worden online videocalls gehouden met een aantal mensen.

                  Op non-actief

                  Het datacenter concludeert naar aanleiding van deze gesprekken dat sprake is van grensoverschrijdend gedrag en stelt de man na een persoonlijk gesprek op non-actief.
                  In de periode hierna wordt met nog zeven werknemers gesproken door de werkgever. Ook wordt de directeur op een later tijdstip uitgenodigd voor een gesprek. Die laat weten niet naar dit gesprek te komen, omdat hij daar vanwege ziekte niet toe in staat is. Nadat hij niet op de afspraak verschijnt, stuurt het datacenter hem de onderzoeksresultaten toe en geeft hem ontslag op staande voet.

                  Bekijk hier onze incasso diensten

                  Geen gespreksverslagen

                  De directeur laat het daar niet bij zitten en stapt naar de rechter. Die vernietigt het ontslag op staande voet. De rechter komt tot dit oordeel omdat zijn werkgever niet glashard kan bewijzen dat de directeur zich structureel grensoverschrijdend heeft gedragen en misbruik heeft gemaakt van zijn positie. De verklaringen van de werknemers zijn volgens de rechter niet feitelijk genoeg van aard en bevatten te veel algemeenheden. Er zijn geen gespreksverslagen gemaakt en niet alle medewerkers wilden een handtekening onder hun verklaring zetten.

                  De kantonrechter vindt dat het datacenter ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door zonder voldoende feitelijke onderbouwing de directeur ontslag op staande voet aan te zeggen. Dit heeft ertoe geleid dat de arbeidsverhoudingen inmiddels ernstig en blijvend zijn verstoord.

                  Onvoldoende zelfinzicht

                  Desondanks kent de rechter ‘slechts’ een billijke vergoeding van 128.500 euro toe en niet de gevorderde vergoeding van 1.700.000 euro Hierbij speelt een rol dat moeilijk voorstelbaar is dat de door vrijwel alle gehoorde medewerkers omschreven dominante stijl van leidinggeven van de directeur volkomen uit de lucht is gegrepen. Omdat de directeur in een reactie enkel aangeeft dat hij zich ‘daarin niet herkent’, geeft hij ruimte aan de indruk dat hij op dit punt onvoldoende blijk geeft van zelfinzicht. De kantonrechter vindt dat de directeur met een billijke vergoeding van 128.500 euro voldoende wordt gecompenseerd. Daarnaast is dit bedrag waarschijnlijk hoog genoeg om ervoor te zorgen dat het datacenter in de toekomst niet vaker arbeidsovereenkomsten op ernstig verwijtbare wijze laat eindigen.

                  Het belang van de huurder om zijn woning te behouden is evident, maar weegt volgens de kantonrechter minder zwaar dan het belang van de verhuurder om andere bewoners ongestoord woongenot te bieden.
                  Deze uitspraak maakt duidelijk dat structureel wietgebruik in een huurwoning niet wenselijk is. Wie dagelijks wiet rookt en daarmee aantoonbaar overlast veroorzaakt, handelt in strijd met goed huurderschap. Dit kan uiteindelijk dus leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst.

                  Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

                  Vragen? Neem contact met ons op

                    Wie een appartement koopt, vertrouwt op de notariële akte. Daarin staat precies wat je krijgt: het appartement, een berging en vaak ook een parkeerplaats. Maar wat als die parkeerplaats al jarenlang door een buurman wordt gebruikt? Het Gerechtshof Den Haag boog zich onlangs over zo’n conflict en kwam tot een verrassende uitkomst: de buurman werd in het gelijkgesteld, ondanks de akte van levering.

                    Bekijk hier onze rechtsgebieden

                    Het Gerechtshof in Den Haag deed onlangs uitspraak in een zaak die draaide over het eigendom van een parkeerplaats in een parkeergarage van een appartementencomplex in Zoetermeer. De bewuste parkeerplaats wordt al sinds 1994 gebruikt door de buurman. In 2021 wordt de woning van de oorspronkelijke eigenaar inclusief eigendomsrechten van de parkeerplaats per notariële akte overgedragen aan de nieuwe eigenaar. Het Gerechtshof oordeelt echter dat de buurman door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de parkeerplaats.

                    Onrechtmatig gehandeld

                    De koper van het appartement betoogde bij de rechter dat de buurman onrechtmatig heeft gehandeld door de parkeerplaats te gebruiken zonder toestemming.
                    De rechtbank verwerpt dit argument en oordeelde dat de buurman geloofde dat deze parkeerplaats ook bij hun woning hoort. Dit onder meer door de huisnummerborden, die overeenkomen met hun woningnummer.

                    De rechtbank stelde bovendien dat de buurman gedurende twintig jaar onafgebroken de parkeerplaats had gebruikt, wat betekende dat hij de feitelijke macht over de parkeerplaats had uitgeoefend. Dit was voldoende om te concluderen dat hij pretendeerde eigenaar te zijn, waardoor de verjaringstermijn werd voltooid.

                    Ook toonde de buurman zich bereid om mee te werken aan een oplossing, zoals het verlenen van een gebruiksrecht aan de nieuwe bewoner, maar de Vereniging van Eigenaars (VvE) stemde niet in met deze plannen.

                    Bekijk hier onze incasso diensten

                    Bevrijdende verjaring

                    De nieuwe bewoner is het niet eens met deze uitspraak en gaat in hoger beroep. Ook bij het Gerechtshof vangt hij echter bot. Volgens het Gerechtshof kon de nieuwe bewoner ook onvoldoende onderbouwen dat de buurman zich niet als eigenaar van de parkeerplaats had gedragen. De nieuwe bewoner vond ook dat het beroep van de buurman op bevrijdende verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, onaanvaardbaar was. Dit omdat hij nu eigenaar is van twee parkeerplaatsen. Het hof verwierp ook deze stelling, omdat de wet voorschrijft dat verkrijgende verjaring ambtshalve moet worden toegepast en de buurman hier geen afstand van kan doen.

                    Het Gerechtshof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de nieuwe bewoner in de proceskosten van het hoger beroep, wat neerkwam op een totaalbedrag van 2.955,- euro. Het hof moedigt de partijen tegelijkertijd aan om alsnog tot een oplossing te komen, mogelijk met medewerking van de VvE, zodat de nieuwe bewoner alsnog een parkeerplaats kan verkrijgen.

                    Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

                    Vragen? Neem contact met ons op

                      1 2 3 9