Waar bent u naar op zoek?

RechtNet Advocaten

Category Archives: Nieuws

Rechters en raadsheren mogen binnenkort tot de leeftijd van 73 jaar inzetbaar blijven als rechter-plaatsvervanger of raadsheer-plaatsvervanger. Minister Weerwind van Rechtsbescherming heeft hiervoor een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer. 

Bekijk hier onze rechtsgebieden

De oorspronkelijke wettelijke ontslagleeftijd voor raadsheren en rechters is zeventig jaar. Ten tijde van de Corona pandemie liepen de achterstanden in de rechtspraak echter snel op. Daarom besloot het kabinet destijds dat ook oudere raadsheren en rechters tijdelijk als plaatsvervanger mogen worden ingezet. Deze tijdelijke regeling vervalt op 15 juli van dit jaar, maar Weerwind wil de maatregel nu met drie jaar verlengen.

Gebrek aan capaciteit

Volgens de minister is de inzetbaarheid van deze rechters en raadsheren als plaatsvervangers nodig, omdat de rechtspraak door een gebrek aan capaciteit kampt met achterstanden. Verhoging van de capaciteit, onder meer door de opleiding van extra rechters, gaat nog jaren duren. Het wetsvoorstel is bedoeld om te regelen dat raadsheren en rechters die werkzaam zijn bij rechtbanken, gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) na het bereiken van de wettelijke ontslagleeftijd van zeventig jaar nog enige tijd kunnen worden ingezet als raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers en wel tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin zij drieënzeventig jaar zijn geworden.

Inlopen van achterstanden

De maatregel om raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers na het bereiken van de ontslagleeftijd gedurende een periode van ten hoogste drie jaar in te zetten, heeft effectief bijgedragen aan het inlopen van de achterstanden. In 2021 waren 149 raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers van zeventig jaar en ouder werkzaam in de rechtspraak. Geschat wordt dat zij dat jaar rond de 16.800 zaken hebben afgedaan. Bij het peilmoment in september 2022 waren 113 raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers werkzaam op grond van de regeling in de Tweede Verzamelspoedwet. Geschat wordt dat zij op jaarbasis 14.000 zaken zullen afdoen.

Tekort aan raadsheren en rechters

Hoewel de uitbraak van Corona geen invloed meer heeft op de doorlooptijden bij het afdoen van zaken, heeft de rechtspraak de totale achterstand in zaken nog niet ingelopen. Al voor de uitbraak van Corona bestonden er achterstanden in de rechtspraak, die door de jaren heen zijn blijven bestaan. Een van de oorzaken is het tekort aan raadsheren en rechters. Dit tekort wordt door de Raad voor de rechtspraak geschat op ongeveer 200 fte.  Door dit tekort is het vervolgens ook niet mogelijk om de achterstanden snel weg te werken.
Het tekort aan raadsheren en rechters binnen de rechtspraak komt onder meer door hun afgenomen inzetbaarheid voor de afdoening van zaken, bijvoorbeeld door de toenemende complexiteit van die zaken, maar ook door de leeftijdsgebonden uitstroom.

Bekijk hier onze incasso diensten

Tijdelijk verhoogd

Vanwege de achterstanden en het tekort aan raadsheren en rechters wordt nu voorgesteld om het opnieuw tijdelijk mogelijk te maken om raadsheren en rechters na het bereiken van de ontslagleeftijd van zeventig jaar in te zetten als raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers totdat zij drieënzeventig jaar worden. Hiermee blijft de capaciteit binnen de rechtspraak tijdelijk verhoogd, waardoor de achterstanden sneller kunnen worden ingelopen. Het geeft de rechtspraak bovendien de tijd om in de komende jaren de leeftijdsgebonden uitstroom op te vangen en de capaciteit aan rechterlijke ambtenaren structureel op te hogen.
Deze raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers van zeventig jaar en ouder hebben veel ervaring en kunnen zelfstandig werken.De verwachting is daarom dat de inzet van raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers een positief effect heeft op het inlopen van de achterstanden.

 

Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

Vragen? Neem contact met ons op

    Indien je pech krijgt aan je voertuig en geen lid bent van de ANWB, wil deze organisatie wel hulp bieden mits je eerst een verzekering afsluit. Consumenten met autopech betalen op dat moment dus niet alleen voor de hulp die ze krijgen, maar worden ook opgezadeld met een verzekering. De rechtbank Amsterdam oordeelde recent dat dit een oneerlijke handelspraktijk is. 

    Bekijk hier onze rechtsgebieden

    Een autobezitter krijgt pech aan zijn auto en belt de ANWB voor hulp. Tijdens het telefoongesprek wordt de autobezitter erop gewezen dat de ANWB enkel pechhulp verleent aan personen met een Wegenwacht Service verzekering en dat die verzekering alleen bij een ANWB-lidmaatschap kan worden afgesloten. De autobezitter gaat hiermee akkoord en krijgt later een factuur van 140 euro voor de overeenkomst die hij is aangegaan. Deze factuur bestaat uit een bedrag voor het lidmaatschap en een tarief voor de verleende pechhulp.

    Consumentbeschermende bepalingen

    De autobezitter weigert vervolgens deze factuur te betalen, waarna de rechter moet beoordelen of de totstandkoming van deze overeenkomst niet in strijd is met consumentenbeschermende bepalingen. De rechter acht de koppelverkoop tussen de pechhulp en het sluiten van een verzekering door de ANWB mogelijk in strijd met consumentenbeschermende bepalingen. Bovendien vindt hij dat sprake is van een oneerlijke handelspraktijk.

    Koppelverkoop

    De ANWB is het hier niet mee eens. Zij stelt dat zij een verzekeraar in natura is en uitsluitend pechhulp verleent aan verzekerden. Het is daarom volgens de ANWB geen vereiste dat het onzekere voorval waarvoor de verzekering dekking biedt zich bij het sluiten van de overeenkomst nog niet heeft voorgedaan. De pechhulp is geen afzonderlijke dienst en wordt door de ANWB ook niet als afzonderlijke dienst aangeboden. Er kan daarom volgens de ANWB geen sprake zijn van koppelverkoop. De organisatie bevestigt wel dat indien bij pech de verzekering wordt afgesloten, de verzekeringnemer in het eerste jaar meer premie moet betalen. Want een nieuw verzekerde met pech doet immers minimaal één keer een beroep op de verzekering. Dit rechtvaardigt volgens de ANWB een hogere premie voor nieuwe verzekerden die direct pechhulp hebben ontvangen.

    Bekijk hier onze incasso diensten

    Vereiste van onzekerheid

    De rechter gaat niet mee in de redenatie van de ANWB. Want één van de kenmerken van een verzekeringsovereenkomst is de vereiste van onzekerheid over een bepaald voorval, dat zich mogelijk in de toekomst zal manifesteren. Wanneer iemand met pech langs de weg staat, is van onzekerheid over het zich voordoen van het verzekerde voorval geen sprake. De autobezitter nam contact op met de ANWB voor pechhulp, omdat hij met pech langs de weg stond en geholpen wilde worden. Uit niets blijkt dat hij ook een verzekeringsovereenkomst voor minimaal één jaar wilde afsluiten. Die verzekeringsovereenkomst kreeg de autobezitter wel als voorwaarde opgelegd door de ANWB, voordat zij pechhulp zou gaan verlenen.

    Oneerlijke handelspraktijk

    Bovendien is volgens de rechter sprake van oneerlijke handelspraktijk. Het is niet verboden om pechhulpverlening te combineren met een verzekeringsovereenkomst. Maar het is wel verboden om een verzekering verplicht te stellen bij een verzoek om pechhulp. De ANWB handelt hiermee volgens de rechtbank in strijd met de vereisten van professionele toewijding. Iemand met pech langs de weg sluit makkelijker een verzekering af om geholpen te worden, dan iemand die daar in alle rust een afgewogen beslissing over kan nemen. Ook op deze grond is de verzekeringsovereenkomst vernietigbaar. De kantonrechter vindt vernietiging van de overeenkomst met de autobezitter daarom een passende sanctie.

     

    Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

    Vragen? Neem contact met ons op

      Om te voorkomen dat burgers onder het bestaansminimum terechtkomen, mogen gemeenten niet maandelijks beslag laten leggen op de bijstandsuitkering bij burgers. Dat heeft de Rechtbank Noord-Holland recent bepaald in een uitspraak, naar aanleiding van een proefprocedure. 

      Bekijk hier onze rechtsgebieden

      Veel gemeenten dragen bij beslag op een bijstandsuitkering maandelijks af aan de deurwaarder. De debiteur komt hierdoor onder de beslagvrije voet en dat is niet toegestaan, vindt de Rechtbank Noord-Holland. De debiteuren komen dan met hun inkomsten onder het bestaansminimum. Het maandelijks afdragen aan een deurwaarder brengt bovendien extra kosten met zich mee voor de debiteur. Volgens de rechter moeten deze extra maandelijkse kosten door de desbetreffende gemeente worden vergoed.

      Proefprocedure

      Schuldinfo begon de proefprocedure omdat zij vindt dat mensen met een bijstandsuitkering niet opgezadeld mogen worden met een maandelijkse beslag afdracht voor de deurwaarder. De organisatie stelt dat een maandelijkse afdracht in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De Rechtbank Noord-Holland stelt Schuldinfo in het gelijk en oordeelt dat maandelijks afdragen bij mensen die leven onder het bestaansminimum niet mag. De extra kosten die maandelijks door de deurwaarder in rekening worden gebracht moet de desbetreffende gemeente als schade vergoeden, oordeelt de rechter.

      Beslagvrije voet

      Hij vindt de wijze waarop de betrokken gemeente uitvoering heeft gegeven aan het loonbeslag in strijd is met de wettelijke regels over de beslagvrije voet. Deze handelwijze zorgt ervoor dat deze mensen maandelijks een bedrag ter hoogte van 90 procent van de voor hen geldende bijstandsnorm ontvangen. Dat bedrag is lager dan de beslagvrije voet, die juist in het leven is geroepen om er zeker van te zijn dat mensen voldoende middelen overhouden om in de (basale) kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien. Iemand die zijn noodzakelijke kosten van levensonderhoud niet volledig kan betalen, wordt gedwongen onder het bestaansminimum te leven en komt daardoor al snel in de problemen met zijn vaste schuldeisers. Maandelijks afdragen bij mensen die leven onder het bestaansminimum is volgens de rechter daarom niet toegestaan.

      Bekijk hier onze incasso diensten

      Financieel risico

      De uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland kan grote impact hebben op de bestaande uitvoeringspraktijk van veel gemeenten. Dit zou namelijk betekenen dat gemeenten en bestuursrechters kunnen oordelen over de geldigheid van het beslag. Maar ook dat er effectief alleen nog beslag mogelijk is op het vakantiegeld. Het incassobeleid van gemeentelijke organisaties moet hierop dan worden aangepast. Daarbij lopen gemeenten een financieel risico wanneer zij bij een veroordeling de proceskosten en een schadevergoeding moeten betalen.

       

      Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

      Vragen? Neem contact met ons op

        Een Belgische schuldeiser vraagt bij de rechter het faillissement aan van een afvalbeheerder. Als steunvordering zet zij daarbij een vordering in van de Vlaamse overheid voor verbeurde dwangsommen. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden keurt dit goed. Dat het in dit geval gaan om bestuursrechtelijke dwangsommen, maakt volgens het Hof geen verschil. 

        Bekijk hier onze rechtsgebieden

        De feiten op een rijtje: Een schuldeiser vraagt bij de rechtbank het faillissement aan van een afvalbeheerder. De rechtbank verklaart de afvalbeheerder daarop failliet, maar die is het daar niet mee eens en gaat in hoger beroep. De afvalbeheerder vraagt het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om het vonnis van de rechtbank te vernietigen en het verzoek tot faillietverklaring alsnog af te wijzen.

        Tegenvordering onvoldoende onderbouwd

        De afvalbeheerder bevestigt een schuld te hebben bij deze schuldeiser, maar zegt die te kunnen verrekenen. Het betoog van de afvalbeheerder dat zij een verrekenbare tegenvordering heeft op haar schuldeiser, die hoger is dan de vordering op haarzelf, heeft de afvalbeheerder echter volgens de rechter onvoldoende onderbouwd. Verder is gebleken dat de afvalbeheerder in ieder geval nog één andere schuldeiser onbetaald heeft gelaten. Het Gerechtshof heeft de afvalverwerker tijdens de behandeling van het hoger beroep ook gevraagd naar haar administratie en haar crediteuren. Die heeft het bedrijf echter niet verstrekt, omdat er volgens de bestuurder ‘geen crediteuren meer waren en er toch geen activiteiten meer in die vennootschap plaatsvonden’, zodat er ook geen crediteurenlijst meer is.

        Verbeurde dwangsommen

        Vervolgens krijgt de curator een e-mail van de Vlaamse overheid, waarin wordt gemeld dat de overheid een vordering van ruim 259.000 euro aan verbeurde dwangsommen heeft op de afvalbeheerder. De Vlaamse overheid stelt dat deze dwangsommen onherroepelijk vaststaan, omdat de termijn om beroep in te stellen is verlopen.

        Bekijk hier onze incasso diensten

        Steunvordering

        Dwangsommen die voor de faillietverklaring zijn verbeurd, worden volgens de wet niet in het passief van het faillissement toegelaten. De specifieke wetsbepaling brengt mee dat een faillissementsaanvraag niet alleen op een vordering voor verbeurde dwangsommen kan worden gebaseerd, zo stelt het hof. Maar in de wet staat niet dat zo’n vordering niet naast andere vorderingen ten grondslag kan worden gelegd aan de stelling dat de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. Evenmin verzet de wet zich ertegen dat zo’n vordering als steunvordering wordt ingezet. De vordering van de Vlaamse overheid kan dus gelden als steunvordering naast de eigen vordering van de schuldeiser. Dat het hier gaat om een bestuursrechtelijke dwangsom maakt niet uit, aldus het hof.

        Het Gerechtshof stelt dan ook vast dat aan alle eisen was voldaan toen de rechtbank de faillietverklaring van de afvalbeheerder uitsprak.

         

        Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

        Vragen? Neem contact met ons op

          Om het risico van misbruik van de turboliquidatie te verkleinen heeft de Eerste Kamer onlangs de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie aangenomen. 

          Bekijk hier onze rechtsgebieden

          Een turboliquidatie is de ontbinding op eigen initiatief van rechtspersonen zonder baten. Op deze manier kan snel en zonder gebruikmaking van een faillissementsprocedure een rechtspersoon worden ontbinden. Indien er geen baten meer zijn, wordt een ontbindingsbesluit genomen en kan uitschrijving van de rechtspersoon uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel worden doorgezet. De rechtspersoon is dan opgehouden te bestaan. Maar door een gebrek aan toezicht en controle worden rechtspersonen ook wel eens ten onrechte geturboliquideerd. Eventuele schuldeisers van een geturboliquideerde rechtspersoon hebben vrijwel geen mogelijkheden om daar iets tegen te doen. In veel gevallen is voor hen ook niet inzichtelijk of bepaalde schuldeisers zijn bevoordeeld ten opzichte van andere schuldeisers.

          Verantwoordings- en bekendmakingsverplichting

          De Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie moet de transparantie rondom turboliquidaties vergroten, misbruik ervan bestrijden en de rechtsbescherming van schuldeisers verbeteren. Daarbij gaat het met name om gevallen waarin de rechtspersoon ophoudt te bestaan met achterlating van schulden. Om dit te bereiken voorziet de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie in een verzwaring van de verantwoordings- en bekendmakingsverplichting voor het (voormalig) bestuur van de ontbonden rechtspersoon. Verder zijn een aanvulling op het bestaande bestuursverbod en een uitbreiding van het inzagerecht van schuldeisers in de wet opgenomen.

          Stukken openbaar maken

          Het voormalige bestuur wordt in de tijdelijke wet verplicht om de volgende stukken openbaar te maken in geval van een turboliquidatie:

          – Een balans en een staat van baten en lasten over het boekjaar waarin de rechtspersoon is ontbonden;
          – Een schriftelijke toelichting over de oorzaak van het ontbreken van baten en indien van toepassing het onbetaald laten van schuldeisers;
          – Een beschrijving van de verdeling van de opbrengsten voorafgaand aan de ontbinding; en
          – De jaarrekening(en) inzake de boekjaren voorafgaand aan de ontbinding indien deze nog niet openbaar zijn gemaakt.

          Deze stukken moeten binnen twee weken na het ontbindingsbesluit worden gedeponeerd bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Deze verplichting geldt ongeacht of de beëindigde rechtspersoon schulden achterlaat of niet. Het niet naleven van deze verplichting is een economisch delict.

          Bekijk hier onze incasso diensten

          Bestuursverbod

          Indien misbruik wordt gemaakt van de turboliquidatie, dan kan via de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie ook een bestuursverbod worden opgelegd aan (voormalig) bestuurder(s). Dat kan bijvoorbeeld indien niet is voldaan aan de verantwoordingsverplichting. Of indien de bestuurder een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Maar ook als de bestuurder in de twee jaar voor de turboliquidatie minimaal tweemaal betrokken was bij een beëindiging van een rechtspersoon. Nieuw is ook dat schuldeisers van een via turboliquidatie ontbonden rechtspersoon met een machtiging van de kantonrechter inzage kunnen krijgen in de boeken. Hierdoor kunnen zijn eenvoudiger nagaan of de beëindiging van de rechtspersoon op juiste wijze is verlopen en/of het vermogen van de betrokken rechtspersoon correct afgewikkeld is. Schuldeisers moeten bij een verzoek om een machtiging wel kunnen aantonen dat zij een redelijk belang hebben om dit te doen. Bovendien geldt als voorwaarde dat het bestuur niet aan de verantwoordings- en bekendmakingsverplichtingen heeft voldaan.

          De Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie geldt in eerste instantie voor een periode van twee jaar, maar kan mogelijk permanent worden verlengd. De wet zal tussentijds geëvalueerd worden.

           

          Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

          Vragen? Neem contact met ons op

            De Tweede Kamer heeft onlangs een wetsvoorstel aangenomen waardoor de termijn voor de Wettelijke Schuldsanering (Wsnp) wordt teruggebracht van 36 naar 18 maanden. De verwachting is dat dit wetsvoorstel op 1 januari 2024 ingaat. Schuldeisers lijken hierdoor gedupeerd te worden. Zij ontvangen in de toekomst nog maar de helft van wat zij nu krijgen. Hoe gaan schuldeisers op deze wetswijzigingen reageren? 

            Bekijk hier onze rechtsgebieden

            Niet alleen de verkorting van de termijn van 36 naar 18 maanden valt op. Indien schuldenaren onvoldoende inkomsten hebben om hun schuld af te lossen, kan het minnelijke traject voortaan worden overgeslagen en kan er direct een verzoek worden ingediend tot toepassing van de Wsnp. Voor schuldhulpverleners is het belangrijk om op deze nieuwe wet te anticiperen.

            Ingrijpende veranderingen voor schuldhulpverlening

            In eerste instantie is het wetsvoorstel bedoeld om de doorstroming van het minnelijk traject naar de Wsnp te verbeteren. Maar door een aantal ingediende amendementen ligt er nu een stevig pakket met ingrijpende veranderingen voor de schuldhulpverlening. Indien de termijn voor schuldregeling wordt ingekort van 36 naar 18 maanden, heeft dit nadelige gevolgen voor de debiteur. Daarom is het goed voor betrokkenen om hierop te anticiperen. Bijvoorbeeld door als schuldeisende partij nu alvast een voorstel te doen aan de schuldenaar op basis van 36 maanden, waarbij de resterende termijn van de schuldsanering na invoering van de wetswijziging wordt verkort tot 18 maanden. Een andere mogelijkheid is om bij de schuldsanering een saneringskrediet te verstrekken op basis van 36 maanden. De schuldeiser ontvangt daarbij een afkoopvoorstel tegen finale kwijting, waarvan de hoogte afhankelijk is van de invoeringsdatum van de wetswijziging. Pas nadat de wetswijziging is ingevoerd wordt de hoogte van het afkoopbedrag vastgesteld en uitbetaald aan de schuldeisers.

            Buitengerechtelijke schuldregeling

            Bij een verzoek om toegelaten te worden tot Wsnp moet tot nu toe eerst een verklaring van het college van B&W van de gemeente, of een advocaat of bewindvoerder worden overlegd. Zij bevestigen hierin dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Door een aangenomen amendement komt dit in de nieuwe wet te vervallen. Als aannemelijk is dat onvoldoende aflossingsmogelijkheden bij de schuldenaar, of andere omstandigheden het onmogelijk maken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, hoeft voor de afgifte van deze verklaring niet eerst een poging te zijn gedaan om tot een dergelijke regeling te komen.

            Bekijk hier onze incasso diensten

            Goed gedrag

            Ook voor wat betreft de regels omtrent goed gedrag om toegelaten te worden tot de Wsnp staan enkele veranderingen op stapel. Op dit moment is het nog zo dat een schuldenaar in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek om toelating tot de Wsnp te goeder trouw moet zijn geweest bij het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden. Deze termijn wordt bij de invoering van de nieuwe wettelijke regels verkort naar drie jaar. De uitsluitingstermijn van tien jaar, die op dit moment nog geldt voor personen die eerder gebruik hebben gemaakt van de Wsnp, wordt in de nieuwe wet eveneens geschrapt.

            Hoe reageren schuldeisers?

            De wetswijziging heeft tot gevolg dat schuldeisers bij een schuldregeling aanmerkelijk minder gaan krijgen. Ze ontvangen de helft van wat ze nu krijgen, of zelfs minder wanneer er vaker een beroep wordt gedaan op het ontbreken van aflossingsruimte. De vraag is dan ook hoe schuldeisers op de wetswijzigingen gaan reageren. Gaan zij meer inzetten op het voorkomen of beperken van schulden? Of zullen zij minder snel verwijzen naar schuldhulpverlening en proberen om zo snel mogelijk zoveel mogelijk te innen bij hun schuldenaren?

             

            Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

            Vragen? Neem contact met ons op

              Een woningbouwvereniging in Tilburg wil een vrouw uit haar huurwoning zetten, omdat de gemeente Tilburg tot twee keer toe prostitutie activiteiten constateert in de woning. De kantonrechter houdt dit tegen, omdat volgens de rechtbank geen sprake is van structureel bedrijfsmatig handelen. 

              Bekijk hier onze rechtsgebieden

              The facts in a nutshell: the municipality of Tilburg receives an anonymous report that a woman is engaging in prostitution from her rental property. A municipal inspector investigates and discovers that the tenant is indeed offering her services as a prostitute through a website. He then arranges a meeting with the woman, who believes he is a client.

              Terminate rental agreement

              The housing association is informed of these facts and subsequently intends to terminate the woman’s lease. This is because the social housing unit is allegedly being used for illegal and undesirable activities. By doing so, the woman is violating not only the law but also the lease and the general terms and conditions . Moreover, according to the housing association, she is not having as a good tenant and is causing a nuisance. The municipality also imposes a penalty payment order on the woman. Any future detection of prostitution activities will result in a substantial fine.

              No nuisance reported

              The woman is bringing the case before the Zeeland-West-Brabant District Court. The court must determine whether the woman’s prostitution activities are “serious” enough to terminate the lease and vacate the property. The subdistrict court judge disagrees. Although it has been established twice that prostitution has taken place in the property, the judge finds that there is no evidence of structural commercial activity, as the housing association claims. The property is also not set up as a sex house, and no further complaints of nuisance have been reported. The woman admits that prostitution occurred when she was checked twice. However, according to the court, this does not justify terminating the lease , with all its drastic consequences. The breach is not serious enough. Furthermore, the woman is in a wheelchair and will not easily find another accessible apartment on the ground floor.

              Bekijk hier onze incasso diensten

              Waarschuwing

              De kantonrechter geeft de vrouw wel een waarschuwing mee. Als zij doorgaat met haar prostitutie activiteiten, loopt zij het risico om uit haar woning te worden gezet.
              Deze keer is nog geoordeeld dat geen sprake is van structureel bedrijfsmatig handelen in de vorm van prostitutie. Maar bij een volgende keer kan anders worden beslist, omdat de grens tussen incidenteel en structureel bedrijfsmatig handelen maar een dun lijntje is. Bovendien leidt iedere overtreding tot een groot financieel verlies als de gemeente de dwangsom gaat innen.

               

              Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

              Vragen? Neem contact met ons op

                Het komt regelmatig voor dat buitenlandse partijen in Nederland een bedrijf voor de rechter dagen. Wanneer zo’n buitenlandse partij de zaak verliest, kan deze worden veroordeeld tot het betalen van de proceskosten of een schadevergoeding. Omdat het verhalen van deze kosten op buitenlandse partijen vaak moeilijk ligt, kan een verplichting tot zekerheidstelling voor proceskosten worden geëist.

                Bekijk hier onze rechtsgebieden

                Indien partijen uit landen waarmee Nederland geen executieverdrag heeft gesloten een rechtszaak willen starten, dan kan de rechtbank een zekerheidsstelling eisen. Deze zekerheidsstelling is bedoeld om Nederlandse burgers en bedrijven te beschermen voor de proceskosten en de eventuele schadevergoeding waar de desbetreffende partij tot veroordeeld zouden kunnen worden.

                Derdengeldenrekening

                Vaak kiezen buitenlandse partijen voor een bankgarantie of wordt het geld geparkeerd op een derdengeldenrekening, bijvoorbeeld van een notaris. Die moet dan, als de buitenlandse partij tot betaling van proceskosten wordt veroordeeld, tot uitbetaling overgaan van het in depot gegeven bedrag. De buitenlandse partij heeft ook het recht om dit geld terug te krijgen op het moment dat de procedure definitief tot een einde is gekomen zonder dat hij in de proceskosten is veroordeeld.

                Gewaarborgd

                Deze verplichting tot zekerheidstelling is bedoeld om te voorkomen dat een in het gelijk gestelde gedaagde in Nederland wordt geconfronteerd met oninbaarheid van een proceskostenveroordeling als gevolg van het ontbreken van de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging daarvan. De verplichting tot zekerheidstelling geldt niet voor alle buitenlandse eisers. Indien de verhaalsmogelijkheden op een andere manier voldoende zijn gewaarborgd (art. 224 lid 2 Rv) is deze verplichting niet nodig. Bijvoorbeeld bij partijen uit landen waarmee Nederland een executieverdrag heeft afgesloten. In zo’n verdrag zijn onder meer afspraken gemaakt dat deelnemende landen zich wederzijds verbinden om de tenuitvoerlegging van elkaars rechterlijke beslissingen toe te staan, zij het na rechterlijk verlof daartoe.

                Bekijk hier onze incasso diensten

                Executieverdrag

                Een belangrijk executieverdrag is het Europese Economische Gemeenschap Bevoegdheidsen Executieverdrag. Verder heeft Nederland bilaterale executieverdragen met België, Groot-Brittannië, Duitsland, Italië en Oostenrijk. Daarnaast zijn er de multilaterale Haagse Alimentatie-Executieverdragen. Met Colombia heeft Nederland geen executieverdrag gesloten, maar wel een vriendschapsverdrag. De rechter kan in zo’n geval bepalen welke vorm van zekerheid voldoet aan de eisen in het Burgerlijk Wetboek. Als een Colombiaanse firma een andere vorm van zekerheid stelt of aanbiedt, dient de rechter te onderzoeken of die vorm van zekerheid in overeenstemming is met de eisen in het Burgerlijk Wetboek. Verzuimt een rechter dit, dan bestaat de kans dat de Hoge Raad in hoger beroep de uitspraak van de rechter vernietigt. Dit gebeurde recent bij een zaak die diende bij het Gerechtshof in ‘s-Hertogenbosch.

                 

                Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

                Vragen? Neem contact met ons op

                  Door een wetswijziging in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek hebben huurders van ligplaatsen voor woonboten sinds kort dezelfde bescherming als huurders van een woning. Het begrip ‘woonruimte’ is in het wetboek zodanig uitgebreid dat inmiddels ook een ligplaats voor een woonboot hieronder valt.

                  Bekijk hier onze rechtsgebieden

                  De huurovereenkomsten vielen tot 1 juli van dit jaar onder het algemeen verbintenissenrecht. Door de wetswijziging is het woord ‘ligplaatsen’ toegevoegd aan het woonruimte begrip in artikel 7:233 BW. Daardoor kan een ligplaats vanaf nu gelijkwaardig worden beschouwd als een huurwoning. Ligplaatsen vallen daardoor voortaan ook binnen de huurbescherming.

                  Huurbescherming

                  Een aantal belangrijke regels op het gebied van huurbescherming zijn daardoor nu ook van toepassing op ligplaatsen voor woonboten. Zo kan een huurovereenkomst alleen ontbonden worden door de rechter op de grond dat de huurder tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen. Huurders van woonboten worden op deze manier beter beschermd. De bedoeling van de wetswijziging is er vooral op gericht om huurders van ligplaatsen te beschermen en heeft geen invloed op de huurprijs van ligplaatsen. De huurder van de ligplaats is vaak eigenaar van de boot die er ligt aangemeerd. Zij vermogen is in veel gevallen dus hoger dan dat van de groep huurders voor wie de huurprijsbescherming is bedoeld. Deze bescherming geldt ook niet voor vrije sectorwoningen. Volgens de wetgever is het daarom redelijk om een woonboot met ligplaats ook tot de vrije sector te regelen.

                  Bekijk hier onze incasso diensten

                  Ligplaats gaat over op erfgenamen

                  Een huurder van een ligplaats is in veel gevallen ook de eigenaar van de woonboot. Bij overlijden van deze persoon gaat de ligplaats over op erfgenamen. In de wet zijn regels opgesteld dat het overlijden van een huurder of verhuurder de huurovereenkomst niet doet eindigen. Dit omdat als erfgenamen de woonboot willen verkopen, het eindigen van de huur van de ligplaats grote gevolgen heeft voor de waarde van de woonboot. Het aantal ligplaatsen is erg schaars en het hebben van een ligplaats zorgt ervoor dat de woonboot meer waard is bij een eventuele verkoop. Dit is anders dan bij een huurovereenkomst van een huurwoning. Die eindigt in principe aan het einde van de tweede maand na overlijden van de erflater, indien de huur niet wordt voortgezet door een medehuurder of door degene met wie de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding had.

                  De nieuwe regels zijn op 1 juli van dit jaar ingegaan. Daarbij is een overgangstermijn van twee jaar afgesproken voor huurovereenkomsten die zijn afgesloten vóór deze datum. De wetswijziging is direct van kracht voor de huurovereenkomsten die op of na 1 juli 2022 zijn gesloten.

                   

                  Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

                  Vragen? Neem contact met ons op

                    Iedereen kent wel de verhalen over een tweedehands gekochte auto, die al na een paar dagen kapot gaat. Toch heeft een koper van een tweedehands auto meer rechten dan menigeen denkt.

                    Bekijk hier onze rechtsgebieden

                    Wanneer een particulier een auto koopt bij een autobedrijf, dan is sprake van een consumentenkoop. In zo’n geval geniet de consument extra bescherming door de wet. De auto moet bijvoorbeeld voldoen aan wat in de koopovereenkomst is bepaald. De koper moet er vanuit kunnen gaan dat de auto normaal functioneert en geen verborgen gebreken vertoond. Is dat niet het geval, dan kan sprake zijn van non-conformiteit.

                    Onverwachte gebreken

                    Indien de auto binnen een termijn van 6 maanden na aankoop onverwachte gebreken vertoont, dan moet er volgens de wet van uitgegaan worden dat de auto bij de aflevering niet voldeed aan wat er in de koopovereenkomst is afgesproken. Het is dan aan het autobedrijf om aan te tonen dat dit wél het geval is geweest en er geen sprake is van non-conformiteit. Indien sprake is van een non-conforme auto, dan kan de consument eisen dat het autobedrijf het voertuig kosteloos repareert of vervangt. Mocht het autobedrijf weigeren om dit te doen, dan kan de consument (na een schriftelijke aanmaning aan het bedrijf) zijn auto zelf elders laten repareren en de kosten verhalen op het autobedrijf waar hij de auto in eerste instantie heeft gekocht.

                    Koopovereenkomst ontbinden

                    De koper heeft ook de mogelijkheid om bij non-conformiteit de koopovereenkomst te laten ontbinden, waardoor deze wordt beëindigd. De auto gaat dan terug naar de verkoper en de koper krijgt (een deel van) het aankoopbedrag terug. Natuurlijk moet er dan wel sprake zijn van een serieuze tekortkoming. Een klein deukje in de auto is bijvoorbeeld onvoldoende om de koopovereenkomst te ontbinden. Een beroep op non-conformiteit slaagt ook lang niet altijd. Van een consument mag worden verwacht dat hij ook zelf onderzoek doet of laat doen naar de auto die hij koopt. Het mag duidelijk zijn dat de kans op gebreken bij een oudere auto groter is dan bij een jongere wagen. Ook als je een auto met een hoge kilometerstand voor een lage prijs koopt, is het verstandig om van tevoren goed onderzoek te laten doen naar de auto. Dit kan bijvoorbeeld door een expert naar de auto te laten kijken en zelf duidelijk te informeren naar de staat van de auto. Alleen een proefrit en een rondje rond de auto lopen volstaan meestal niet.

                    Bekijk hier onze incasso diensten

                    Nog wat tips

                    Hierbij nog enkele tips voor als je als particulier een tweedehands auto bij een autobedrijf gaat kopen:

                    – Communiceer zoveel mogelijk schriftelijk met het autobedrijf over de staat van de auto, zodat er iets op papier staat.
                    – Doe zelf van tevoren onderzoek naar de staat van een auto en laat eventueel een aankoopkeuring uitvoeren.- Neem bij problemen met de auto snel contact op met de verkoper. Indien je niet tijdig klaagt kun je in principe geen beroep meer doen op non-conformiteit.

                     

                    Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

                    Vragen? Neem contact met ons op