Een werknemer die een zaak heeft aangespannen tegen zijn voormalige werkgever omdat hij te weinig overuren uitbetaald heeft gekregen, wordt zowel door de kantonrechter als het gerechtshof Amsterdam in het ongelijk gesteld omdat hij niet heeft voldaan aan de klachtplicht. Volgens de rechter heeft de werknemer te lang gewacht met het indienen van zijn klacht waardoor zijn vordering is verjaard.

Bekijk hier onze rechtsgebieden

De werknemer werkt tussen 2012 en 2017 als bediende in een horecazaak. In deze jaren krijgt de medewerker structureel overuren na sluitingstijd niet uitbetaald. Een kleine twee jaar nadat hij uit dienst is getreden start de werknemer een zaak bij de kantonrechter. Hij denkt op grond van de cao Koninklijke Horeca Nederland aanspraak te kunnen maken op ruim 40.000 euro aan vergoedingen van zijn oud-werkgever. De kantonrechter wees de loonvordering toe, maar tot een bedrag van 2.400 euro. De rest wordt afgewezen. Daarop gaat de werknemer in hoger beroep. De werkgever stelt in het hoger beroep dat de medewerker niet meer overuren kan vorderen omdat hij de klachtplicht heeft geschonden.

Protest aantekenen

In de wet staat dat een schuldeiser binnen een bepaalde tijd nadat hij een gebrek heeft geconstateerd, of had redelijkerwijs had kunnen constateren, protest moet aantekenen bij de schuldenaar. Doet hij dit niet tijdig, dan kan hij vervolgens geen beroep meer doen op dit gebrek. In dit geval diende de medewerker pas eind 2018 een klacht in over de niet uitbetaalde overuren. Eigenlijk had de medewerker al moeten klagen op het moment dat hij op zijn loonstroken kon zien dat zijn overuren niet werden uitbetaald, maar dit heeft hij nagelaten.

Bekijk hier onze incasso diensten

Schending van de klachtplicht

De klachtplicht zorgt ervoor dat een schuldenaar zich niet oneindig zorgen hoeft te blijven maken over eventuele vorderingen. Omdat de werkgever pas erg laat wordt geconfronteerd met het niet uitbetalen van de overuren kan de werkgever hier weinig meer aan doen. De overuren kunnen ook niet in tijd worden gecompenseerd omdat het dienstverband al is afgelopen. Het gerechtshof oordeelt in haar uitspraak dat de werkgever in dit geval terecht een beroep heeft gedaan op schending van de klachtplicht door de werknemer en wijst de vordering van de werknemer over de overuren af.

Dienstverband geëindigd

Nu de werkgever zodanig laat wordt geconfronteerd met het niet uitkeren van de overuren, kan werkgever hier niets meer aan doen en kunnen de overuren ook niet meer in tijd worden gecompenseerd omdat het dienstverband al geëindigd is. Het hof oordeelt dat het beroep van werkgever op schending van de klachtplicht door de werknemer slaagt en wijst de vordering van werknemer ten aanzien van de overuren af.

Toch is niet zeker of dit altijd zo gaat blijven. Want de Hoge Raad heeft nog geen uitspraak gedaan over de werking van de klachtplicht in het arbeidsrecht. Het is afwachten tot iemand een cassatieberoep instelt om erachter te komen hoe de Hoge Raad over deze kwestie denkt.

 

Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

Vragen? Neem contact met ons op

    Schuldeisers die vrezen dat zij hun vordering na een gerechtelijke procedure niet kunnen innen, mogen in Nederland vrij eenvoudig conservatoir beslag laten leggen. De toetsing van de voorzieningenrechter is hierbij meestal niet al te streng. Maar een schuldeiser moet wel voldoende kunnen aantonen dat het leggen van zo’n beslag noodzakelijk is. Indien hij dit niet doet, loopt hij de kans dat zijn verzoek tot beslaglegging wordt afgewezen.

    Bekijk hier onze rechtsgebieden

    De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland heeft onlangs een verzoek van een bouwonderneming om conservatoir beslag te leggen bij een betaald voetbalorganisatie (bvo) afgewezen. Beide partijen hebben al langere tijd een zakelijk geschil over de kosten van de renovatie van het dak van het voetbalstadion van de bvo. Het grootste deel van de renovatiekosten is al betaald door de bvo. Volgens de voorzieningenrechter heeft het bouwbedrijf de noodzaak om conservatoir beslag te mogen leggen onvoldoende onderbouwd.

    Aannemelijk maken

    Er is sprake van een geschil over een relatief klein deel van de vordering, zo’n vijf miljoen euro. Alleen het feit dat de bvo het resterende deel van de vordering betwist en daarom niet betaalt, is volgens de voorzieningenrechter niet voldoende om conservatoir beslag te kunnen leggen. Het bouwbedrijf kan ook niet bewijzen of aannemelijk maken dat gevreesd moet worden dat het geld mogelijk verduisterd wordt indien er geen beslag mag worden gelegd.

    Bekijk hier onze incasso diensten

    Hoger beroep

    Het bouwbedrijf gaat daarop in hoger beroep en krijgt van het gerechtshof Amsterdam alsnog toestemming voor het leggen van beslag. Het hof stelt dat de bouwonderneming wél voldoende heeft aangetoond dat het leggen van beslag noodzakelijk is. Daarbij heeft het hof onder meer in aanmerking genomen dat de bvo grote schulden heeft en de voetbalwereld financieel flink is getroffen door de Corona pandemie.

    Verlof vragen

    In Nederland kunnen schuldeisers die vrezen na een gerechtelijke procedure hun vorderingen niet te kunnen innen, bijvoorbeeld omdat hun schuldenaren van plan lijken om hun waardevolle spullen in de tussentijd te verduisteren, redelijk makkelijk conservatoir beslag laten leggen. Zij kunnen hiervoor verlof vragen bij de voorzieningenrechter. Die onderzoekt of de vordering van de schuldeiser aannemelijk is en óf en waarom het beslag noodzakelijk is. Het geschil tussen de bouwonderneming en de bvo laat zien dat de voorzieningenrechter het verzoek tot het leggen van conservatoir beslag uiterst serieus neemt en zo’n verzoek niet in alle gevallen zomaar goedkeurt.

     

    Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

    Vragen? Neem contact met ons op

      In het geheim een gesprek opnemen met je werkgever. Het komt in de praktijk regelmatig voor. Als vervolgens een kink in de kabel komt tussen de werknemer en werkgever, dan worden deze gesprekken vaak opgevoerd als bewijs. Eén van de partijen wordt daardoor achteraf op de hoogte gesteld van deze geheime opnames. Vaak valt dit niet in goede aarde en wordt het onderlinge vertrouwen hierdoor onherstelbaar beschadigd.

      Bekijk hier onze rechtsgebieden

      Bij de rechtbank Den Haag diende onlangs een zaak, waarbij een werkgever naar aanleiding van het stiekem opnemen van gesprekken door een werknemer, een ontbindingsverzoek heeft ingediend bij de rechter. Die oordeelde dat de arbeidsverhouding tussen partijen duurzaam en onherstelbaar verstoord is geraakt en wees daarom het ontbindingsverzoek toe.

      Onderlinge verhoudingen

      Het stiekem opnemen van gesprekken waarbij iemand zelf aanwezig is, is niet strafbaar en civielrechtelijk zijn deze opnames doorgaans ook te gebruiken als bewijs. Maar als dit gebeurt zonder medeweten van de overige aanwezigen, dan kan de arbeidsverhouding flink verstoord raken en kan dit zelfs leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet daarbij wel aannemelijk maken dat herstel van de arbeidsrelatie niet meer mogelijk is en moet aangeven welke pogingen hij heeft ondernomen om de onderlinge verhoudingen te verbeteren. Van de werkgever wordt verwacht dat hij alles in het werk heeft gesteld om de verhoudingen weer goed te krijgen, bijvoorbeeld door de inzet van een mediator.

      Bekijk hier onze incasso diensten

      Arbeidsrelatie verstoord

      Als sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie en een werkgever wil een werknemer om deze reden ontslaan, dient de werkgever de kantonrechter te verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De werkgever moet daarbij in ieder geval aangeven waardoor de arbeidsrelatie is verstoord, wat hij heeft gedaan om de arbeidsrelatie te verbeteren en wat hij heeft gedaan aan de herplaatsingsverplichting. De kantonrechter toetst vervolgens of de situatie dusdanig ernstig is dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevraagd het dienstverband te laten voortduren. In dit geval leidde het stiekem opnemen van de gesprekken tot ontslag van de werkneemster en ontving zij alleen een transitievergoeding.

      Tegelijkertijd is het voor werkgevers belangrijk om zich ervan bewust te zijn dat dit kan gebeuren en zich daarop voor te bereiden. Onder andere door hierover afspraken te maken met de werknemer en geen toezeggingen te doen.

       

      Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

      Vragen? Neem contact met ons op

        Een koeriersbedrijf raakt zijn belangrijkste opdrachtgever kwijt en komt daardoor in financiële problemen. Een pakketbezorger ontvangt vervolgens geen loon meer. Bovendien wil het koeriersbedrijf het achterstallige loon verrekenen met de werknemer, omdat die de bestelbus van zijn werkgever zonder toestemming ook voor privégebruik heeft ingezet. De werknemer start daarop een zaak bij de kantonrechter.

        Bekijk hier onze rechtsgebieden

        De feiten op een rijtje: een tekent een arbeidsovereenkomst met een concurrentie- en relatiebeding voor onbepaalde tijd voor de functie van pakketbezorger voor 30 uur per week.  Enkele maanden later raakt de medewerker arbeidsongeschikt. Vervolgens verliest het bedrijf haar grootste opdrachtgever en komen de werkzaamheden van het bedrijf nagenoeg stil te liggen. Als gevolg hiervan krijgt de pakketbezorger zijn loon niet meer uitbetaald. Die zegt daarop zijn arbeidsovereenkomst op en stapt naar de rechtbank in Overijssel.

        Uitbetaling achterstallig loon

        Bij de kantonrechter eist de werknemer uitbetaling van het achterstallige loon. Verder wil hij schorsing van het concurrentie- en relatiebeding dat is opgenomen in zijn arbeidsovereenkomst. Omdat de werkgever zich hier niet tegen heeft verzet, wordt het concurrentie– en relatiebeding geschorst. De werknemer kan daardoor op zoek naar een andere baan.

        Bekijk hier onze incasso diensten

        Privégebruik bedrijfsbusje

        De uitbetaling van het achterstallig loon heeft meer voeten in aarde. De werkgever wil dit niet betalen. Enerzijds omdat er niet is gewerkt doordat er geen opdrachten meer waren. Anderzijds omdat het loon van de medewerker deels moest worden verrekend. Dit omdat de werknemer het bedrijfsbusje zonder toestemming van de werkgever ook privé had gebruikt. De werknemer beweert dat hij het busje wel privé mocht gebruiken, maar volgens de werkgever is hiervoor een boete afgesproken die gerelateerd is aan het aantal gereden kilometers. Het boetebedrag is opgelopen tot 5.400 euro.

        Recht op loonbetaling

        De kantonrechter oordeelt dat de werknemer recht heeft op loonbetaling. Dat de werkgever een grote opdrachtgever heeft verloren betekent niet dat de loonbetaling bij ziekte zomaar kan worden stopgezet. Er is ook onenigheid tussen beide partijen over de uitbetaling van extra gewerkte uren, maar daarover spreekt de kantonrechter zich niet uit. Hetzelfde geldt ook voor het privégebruik van de bestelbus. De werknemer heeft Whatsapp berichten waarin de werkgever toestemming geeft voor het privégebruik. Maar dit is mogelijk niet voor alle situaties het geval geweest. De kantonrechter vindt de boete van 5.400 euro die de werkgever hiervoor wil opleggen aan de medewerker aan de hoge kant. Vooral ook omdat deze boete een stuk hoger is dan het maandloon dat de bezorger ontvangt. Omdat niet zeker is of hiervoor wel een boete kan worden opgelegd en of die wellicht lager zou moeten zijn, wijst de kantonrechter deze vordering van de werkgever vooralsnog af. Net als de kwestie over de uitbetaling van extra gewerkte uren, moet dit in een andere procedure worden behandeld.

         

        Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

        Vragen? Neem contact met ons op

          De Eerste Kamer heeft onlangs ingestemd met een wetsvoorstel over de verkorting van de wettelijke betalingstermijn voor grote ondernemingen in hun handelsrelatie met mkb-ondernemingen. Deze betalingstermijn mag in de toekomst niet langer dan 30 dagen bedragen.

          Bekijk hier onze rechtsgebieden

          In het nieuwe wetsvoorstel wordt de maximale toelaatbare betaaltermijn verkort van 60 naar 30 dagen. Indien grote ondernemingen een factuur pas na meer dan 30 dagen betalen, dan zijn zij wettelijke handelsrente verschuldigd over de termijn die de 30 dagen overschrijdt. Leveranciers die een afhankelijke relatie hebben met een grote onderneming en hun facturen te laat betaald krijgen, mogen tot vijf jaar nadat de overeenkomst is beëindigd deze wettelijke rente vorderen.

          Machtspositie

          Voor grote ondernemingen die mkb-ondernemingen als schuldeiser hebben, geldt nu nog dat ze een betaaltermijn kunnen afspreken van maximaal 60 dagen. In de praktijk is gebleken dat vaak langere betaaltermijnen worden gehanteerd dan 30 dagen, waardoor een betaaltermijn van 30 dagen of minder eerder uitzondering dan regel is. Ook na de vorige wetsaanpassing (een uiterste betaaltermijn van 60 dagen, waarbij de norm betalen binnen 30 dagen ongewijzigd is gebleven) zijn grote ondernemingen mkb-leveranciers gemiddeld
          genomen niet sneller gaan betalen. Grote ondernemingen maken op dit moment vaak gebruik van hun machtspositie om een langere betaaltermijn af te dwingen, zodat zij op deze wijze veel werkkapitaal naar zich toe kunnen trekken, ten nadele van de mkb-bedrijven. De verwachting is dat een wettelijke aanscherping van de maximale termijn tot 30 dagen wel gaat bijdragen aan een verbetering van het betaalgedrag.

          Bekijk hier onze incasso diensten

          Betaalachterstanden voorkomen

          Het tijdig betalen van facturen is vooral belangrijk om de kasstroom van mkb-bedrijven te verbeteren en beoogt onder andere om betaalachterstanden bij deze bedrijven te voorkomen. Want indien facturen niet op de afgesproken tijd betaald worden, kan dit het financiële beheer van bedrijven bemoeilijken. Daarnaast hebben late betalingen vaak een negatieve invloed op de kaspositie, het concurrentievermogen en de levensvatbaarheid van ondernemingen. Vertragingen in betaling van facturen kunnen leiden tot liquiditeitsproblemen van een onderneming en in het meest ernstige geval zelfs tot een faillissement. Deze negatieve gevolgen zijn vooral merkbaar in tijden dat het economische getij tegenzit. Want veel mkb-bedrijven zijn voor hun voortbestaan sterk afhankelijk van tijdige betalingen van hun openstaande facturen en hebben vaak geen andere middelen om eventuele betalingsachterstanden op te vangen.

          Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

          Vragen? Neem contact met ons op

            Een advocatenkantoor dat juridische bijstand heeft verleend aan een installatiebedrijf, dat enkele weken later faillissement aanvraagt, hoeft haar honorarium niet terug te betalen. De curator, die terugbetaling van het geld vorderde. werd zowel door de kantonrechter als het gerechtshof in het ongelijk gesteld.

            Bekijk hier onze rechtsgebieden

            De feiten op een rijtje: een installatiebedrijf verkeert financieel in zwaar weer en de verkoop van het bedrijf mislukt. Bovendien is één van de bestuurders van het bedrijf ernstig ziek. Het bedrijf schakelt een advocatenkantoor in voor juridische bijstand.

            Eigen faillissementsaanvraag

            Een advocaat van dit kantoor onderzoekt de verschillende scenario’s voor het bedrijf en adviseert uiteindelijk dat een eigen faillissementsaanvraag de beste optie is. Het advocatenkantoor handelt deze aanvraag vervolgens ook zelf af en de rechtbank spreekt niet veel later het faillissement van het bedrijf uit. Een week van tevoren stuurt het advocatenkantoor nog twee facturen van in totaal 6.400 euro en deze worden direct betaald. Ook een derde factuur van ruim 1.800 euro, die na het faillissement wordt gestuurd aan een voormalige bestuurder, wordt betaald vanuit een gelieerde vennootschap van deze persoon.

            Betalingen paulianeus

            De curator is niet blij met de gang van zaken en vindt de betalingen aan het advocatenkantoor paulianeus. Volgens hem had het bedrijf de declaraties van het advocatenkantoor met het faillissement in zicht, nooit mogen betalen. Om die reden kaart de curator de zaak aan bij de kantonrechter, met de eis dat het advocatenkantoor het volledige bedrag van de declaraties terugbetaalt. De kantonrechter wijst deze vordering af, waarna de curator naar het gerechtshof Noord-Nederland stapt. Maar ook die wijst de vordering van de curator af.

            Bekijk hier onze incasso diensten

            Beloning voor werkzaamheden

            Volgens het hof ligt een betalingsafspraak tussen de twee partijen in dit geval alleszins voor de hand. Daarnaast stelt het hof dat de curator de afspraak tussen beide partijen onvoldoende heeft betwist. Ook belangrijk is dat de betalingsafspraak tussen beide partijen geen onverplicht karakter heeft. De gedane betalingen aan het advocatenkantoor waren een beloning voor de werkzaamheden die de advocaten hebben verricht in hun poging om het bedrijf alsnog van de ondergang te redden. Ook geeft het hof aan dat het niet om buitensporige betalingen gaat.

            Toegang tot rechtsbijstand

            Net als het advocatenkantoor vindt het hof dat de curator in deze zaak een ‘te eng begrip’ hanteert in relatie tot wat moet worden verstaan onder ‘faillissements-gerelateerd’. Ook benadrukt het hof dat een maatschappelijk ongewenste situatie kan ontstaan dat een partij niet in aanmerking kan komen voor rechtsbijstand bij een mogelijk faillissement, omdat de aangezochte advocaat het risico loopt of denkt te lopen onbetaald te blijven. Hierdoor kan de toegang tot behoorlijke rechtsbijstand worden geblokkeerd, terwijl die op dat moment juist dringend nodig is.

             

            Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

            Vragen? Neem contact met ons op

              Een werknemer moet na de overname van het bedrijf aanzienlijk langer reizen. Daarom dient hij bij de kantonrechter een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in. Hierin stelt hij dat sprake is van een aanmerkelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden en dat daarom van hem niet verlangd kan worden dat de arbeidsovereenkomst met de nieuwe Duitse werkgever wordt voortgezet. De kantonrechter bepaalt dat de werknemer recht heeft op schadevergoeding vanwege een gemiste opzegtermijn en op een transitievergoeding.

              Bekijk hier onze rechtsgebieden

              De feiten op een rijtje: een Brabants bedrijf dat actief is in wellness- en cosmeticaproducten wordt verkocht aan een Duitse onderneming. Als gevolg hiervan is de werkplek van de werknemer verplaatst naar Duitsland. Om zijn werk te kunnen blijven doen, moet de werknemer 480 kilometer (enkel) reizen. De werknemer geeft daarom bij zijn werkgever ruim voor de overgang al aan dat de verhuizing van de bedrijfsactiviteiten voor hem teveel nadelen met zich meebrengt en dat het daarom voor hem niet mogelijk is om mee over te gaan.

              Aanmerkelijke wijziging

              Hierdoor ontstaat een geschil tussen de werkgever en werknemer. Daarbij doemt de vraag op of er door de overname van het bedrijf nog sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de oud-werkgever en werknemer en zo ja, of de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden? Maar ook of sprake is van een aanmerkelijke wijziging in de arbeidsvoorwaarden van de werknemer door de overgang van onderneming en of hij hierdoor recht heeft op bepaalde vergoedingen.

              Werkgever is schadeplichtig

              De werknemer dient bij de kantonrechter een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in, waarin hij stelt dat sprake is van een aanmerkelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden en dat van hem niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten met de nieuwe Duitse werkgever. De kantonrechter is ook van mening dat sprake is van een aanmerkelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden. In zo’n geval draait de werkgever op voor de gevolgen die zijn verbonden aan het verbreken van de arbeidsovereenkomst door de werkgever. Het bedrijf is schadeplichtig voor de nog resterende opzegtermijn én moet het loon betalen over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij een normale opzegging nog had geduurd (ruim 14.400 euro).

              Bekijk hier onze incasso diensten

              Transitievergoeding

              In lijn met een eerdere uitspraak van het Hof Justitie van de Europese Unie oordeelt de kantonrechter dat de werkgever een schadevergoeding verschuldigd is wegens het beëindigen van de arbeidsovereenkomst zonder inachtneming van de opzegtermijn. Als begin van de opzegtermijn neemt de kantonrechter de datum waarop de werknemer het verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft ingediend. De werkgever moet ook een transitievergoeding betalen. De hoogte hiervan wordt berekend aan de hand van het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd als de opzegtermijn in acht zou zijn genomen. In dit geval bijna 30.000 euro.

              Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

              Vragen? Neem contact met ons op

                Een bedrijf in financieel zwaar weer mag onder bepaalde omstandigheden besluiten om het loon van haar medewerkers eenzijdig te verlagen. Tot die uitspraak kwam de rechtbank in Overijssel onlangs. Enkele werknemers, die het niet eens waren met een structurele eenzijdige loonsverlaging, stapten naar de rechter om dit besluit ongedaan te maken. Maar zij werden in het ongelijk gesteld.

                Bekijk hier onze rechtsgebieden

                In deze zaak draait het om een productiebedrijf dat al langere tijd in problemen verkeerd. Ook na een eerdere reorganisatie blijft het bedrijf rode cijfers draaien. De continuïteit van de organisatie komt daardoor onder druk te staan. Een grote kostenpost van het bedrijf zijn de salarissen van de medewerkers. Daarom wil de werkgever toe naar lagere lonen en besluit hij eenzijdig het loon te verlagen. De ondernemingsraad van het bedrijf gaat akkoord met het voorstel, maar een aantal medewerkers is het hier niet mee eens en stapt naar de kantonrechter.

                Primaire arbeidsvoorwaarde

                De rechter oordeelt dat loon een primaire arbeidsvoorwaarde is en werkgevers dit in principe niet eenzijdig mogen verlagen. Er moet hiervoor overeenstemming worden bereikt tussen beide partijen en dat is in dit geval niet het geval.

                Goed werknemerschap

                De centrale vraag in deze zaak is daarom: Is de weigering van de medewerkers om akkoord te gaan met een lager salaris in strijd met goed werknemerschap? Om deze vraag te kunnen beantwoorden verwijst de rechter naar de maatstaf van het Stoof/Mammoet-arrest van de Hoge Raad.

                De volgende zaken zijn daarbij van belang:
                – Zijn de gewijzigde omstandigheden voor de werkgever aanleiding om een voorstel tot wijziging te doen?
                – Zo ja, is er dan sprake van een redelijk voorstel, gezien de omstandigheden?
                – Zo ja, mag aanvaarding van het voorstel in redelijkheid verwacht worden van de werknemers?

                In deze zaak constateert de rechtbank dat de werkgever in grote financiële problemen verkeerd. Eerdere maatregelen om deze problemen het hoofd te bieden hebben onvoldoende resultaat opgeleverd.

                Bekijk hier onze incasso diensten

                Gewijzigde omstandigheden

                De rechtbank vindt dat voldoende is onderbouwd dat sprake is van gewijzigde omstandigheden om met een voorstel tot loonsverlaging te komen.
                In het verlengde daarvan vindt de rechtbank ook dat het in dit geval niet onredelijk is dat de werkgever een loonoffer verlangt van haar medewerkers. Dit omdat de ingreep noodzakelijk is voor de continuïteit van de onderneming en medewerkers hierdoor hun baan kunnen behouden.

                De rechtbank stelt in haar uitspraak dat het bedrijf in dit geval het loon eenzijdig mocht verlagen en dat de medewerkers het voorstel van hun werkgever niet hadden mogen weigeren.

                Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

                Vragen? Neem contact met ons op

                  Een beroepschauffeur die onder invloed van alcohol tijdens zijn werk een eenzijdig ongeval heeft veroorzaakt, dient er rekening mee te houden dat hij de schade van bijna 120.000 euro moet vergoeden aan de verzekeraar. Dat is de uitkomst van een uitspraak van de kantonrechter in Utrecht.

                  Bekijk hier onze rechtsgebieden

                  In deze zaak draait het om een chauffeur van een melktankwagen die om 10.00 uur in de ochtend betrokken raakt bij een eenzijdig verkeersongeval. Bij het ongeval kantelt de melktankwagen en raakt deze zwaar beschadigd.

                  Schade verhalen

                  Om 12.00 uur wordt een alcoholcontrole gehouden bij de chauffeur en blijkt dat hij bijna twee keer meer alcohol in zijn bloed heeft dan wettelijk is toegestaan. De verzekeraar vergoedt de schade aan de werkgever, ondanks dat in de polisvoorwaarden schade die plaatsvindt als de bestuurder onder invloed van alcohol verkeert, van de dekking is uitgesloten. Vervolgens start de verzekeraar een zaak bij de kantonrechter om de schade op de werknemer te verhalen.

                  Wettelijk verboden

                  De kantonrechter geeft aan dat vaststaat van de chauffeur onder invloed van alcohol heeft gereden en dat dit wettelijk is verboden. Van een beroepschauffeur mag volgens de rechter ook worden verwacht dat hij zich voortdurend bewust is van het gevaar van het rijden onder invloed van alcohol. De dagelijkse routine die het rijden voor hem is, kan geen reden zijn voor verminderde aandacht voor de gevaren waartoe het gebruik van alcohol in het verkeer kan leiden, nog afgezien van het feit dat het rijden onder invloed niet is toegestaan op grond van de toepasselijke cao.

                  Bekijk hier onze incasso diensten

                  Bewust roekeloos gehandeld

                  Dat de chauffeur toch is gaan rijden met alcohol in zijn lichaam, rekent de kantonrechter hem extra aan. Hij oordeelt dat voldoende vaststaat dat de chauffeur onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval bewust roekeloos heeft gehandeld door onder invloed van twee keer zoveel alcohol als wettelijk toegestaan achter het stuur te gaan én blijven zitten. Door te gaan rijden in de wetenschap dat hij onder invloed was van alcohol, heeft de chauffeur volgens de kantonrechter het risico op een ongeval aanmerkelijk vergroot. Dit is in de praktijk ook gebleken, doordat de melktankwagen waarmee de chauffeur onderweg was, is gekanteld.

                  Causaal verband betwist

                  De chauffeur betwist in zijn betoog het causaal verband tussen het rijden onder invloed en het ongeval. Hij is van mening dat het ongeval ook zonder alcoholgebruik zou hebben kunnen plaatsvinden. Daarbij wijst hij onder meer op de niet verharde, zachte berm, het grote hoogteverschil tussen de berm en het wegdek en de slechte weersomstandigheden met veel regen en wind.

                  Voorlopige uitspraak kantonrechter

                  De kantonrechter stelt in zijn voorlopige uitspraak de chauffeur in de gelegenheid om zijn standpunt dat het ongeval sowieso zou zijn gebeurd, ook als hij niet onder invloed van alcohol was geweest, te bewijzen. Hij krijgt hiervoor twee weken de tijd. Maar de kans dat de chauffeur alsnog kan bewijzen dat de schade niet het gevolg is geweest van het alcoholgebruik, lijkt erg klein. Hij moet er daarom ernstig rekening mee houden dat hij de schade aan de verzekeraar zal moeten vergoeden.

                  Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

                  Vragen? Neem contact met ons op

                    Het gerechtshof Amsterdam deed onlangs een opmerkelijke uitspraak in een geschil tussen een koffieketen en een franchisenemer. Het hof stelde dat het door middel van een beroep op onvoorziene omstandigheden gerechtvaardigd was, dat een franchisenemer tijdens lockdowns in verband met Corona minder franchisefee had betaald.

                    Bekijk hier onze rechtsgebieden

                    Het beroep op onvoorziene omstandigheden is in de afgelopen jaren veelvuldig gebruikt door huurders om huurkorting te bedingen bij hun huurbaas, maar werd nog niet eerder op deze manier ingezet. Daarmee lijkt het hof de deur open te zetten voor franchisenemers (in door corona getroffen sectoren) om omzetafhankelijke franchise fees gedeeltelijk onbetaald te laten, of zelfs terug te vorderen.

                    Omzet misgelopen

                    In deze zaak draait het om een geschil tussen een koffieketen en een franchisenemer. De franchisenemer refereert hierbij dat hij door de lockdowns niet open mocht en daardoor net als veel andere horecabedrijven flink veel omzet is misgelopen. Dit voert hij als een van de redenen aan waarom hij niet steeds de volledige huur en een lagere franchisefee heeft betaald aan de koffieketen.

                    Onvoorziene omstandigheden

                    Het gerechtshof beschouwt dit als een beroep op onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 lid 1 BW en acht dat beroep terecht gedaan. In haar uitspraak schrijft zij hierover het volgende

                    ‘In de mogelijkheid van de uitbraak van een crisis als van deze omvang hebben partijen in de franchiseovereenkomst niet voorzien of (kennelijk) beoogd te voorzien. Onjuist is om de gevolgen hiervan eenzijdig voor rekening en risico van franchisenemer te laten komen. Een verdeling van dat risico (op de voet van 50/50) voor de maanden waarin de vestiging geheel dan wel deels moest worden gesloten vanwege door de overheid opgelegde coronamaatregelen, ligt meer voor de hand.’

                    Bekijk hier onze incasso diensten

                    Minder franchisefee

                    In dit geval bedroeg de franchisefee 4 procent van de omzet van de franchisenemer. Het is logisch dat in geval van een lockdown de omzet daalt en dat daardoor al minder franchisefee wordt betaald. Anders dan bij de meeste huurovereenkomsten is in dit geval dus geen sprake van maandelijks vaste bijdrage.

                    Nieuwe rechtsregel

                    Het hof lijkt hier echter aan voorbij te gaan in deze uitspraak. Tegelijkertijd lijkt hiermee een nieuwe rechtsregel te worden geïntroduceerd die het voor franchisenemers (die flink last hebben gehad van Corona) mogelijk maakt om hun omzetafhankelijke franchise fee voor de helft onbetaald te laten of misschien alsnog terug te vorderen bij hun franchiseformule.

                    Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

                    Vragen? Neem contact met ons op