Werkgevers hebben een vergaande zorg- en informatieverplichting tegenover hun werknemers over hun vakantiedagen. Zij moeten hiervoor niet alleen een administratie bijhouden, maar moeten medewerkers ook aanmanen om vakantiedagen op te nemen. Doen zij dit niet, dan kan hen later worden verweten dat zij hun zorg- en informatieverplichting jegens hun medewerkers niet goed hebben uitgevoerd.

Bekijk hier onze rechtsgebieden

Het Gerechtshof Den Haag gaf in een uitspraak onlangs antwoord op de vraag wanneer wettelijke vakantiedagen vervallen dan wel verjaren.

Conflict over genoten vakantiedagen

In deze zaak gaat het om een werknemer die al sinds 2005 in dienst is van een advocatenkantoor. In die jaren heeft de werknemer 265,5 vakantiedagen opgebouwd, maar niet opgenomen. In 2018 ontstaat een conflict tussen werkgever en werknemer over het aantal genoten vakantiedagen. Dit escaleert zodanig dat de werkgever naar de kantonrechter stapt en verzoekt om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De werknemer vordert daarbij uitbetaling van alle opgebouwde, maar niet-genoten vakantiedagen. De kantonrechter gaat daar voor een deel in mee en veroordeelt de werkgever tot betaling van 22 vakantiedagen.

Werknemer vordert uitbetaling

Daarop gaat de werknemer in hoger beroep en vordert uitbetaling van de overige vakantiedagen. De werkgever stelt zich op het standpunt dat deze vakantiedagen zijn vervallen dan wel verjaard en de werknemer dus geen aanspraak kan maken op een vergoeding terzake van deze vakantiedagen. Op grond van artikel 7:640a BW vervalt de aanspraak op de wettelijke vakantiedagen zes maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin zij zijn opgebouwd, tenzij de werknemer tot aan dat tijdstip redelijkerwijs niet in staat is geweest vakantie op te nemen. Daarnaast bepaalt artikel 7:642 BW dat onverminderd artikel 7:640a BW een rechtsvordering tot toekenning van vakantie verjaart door verloop van vijf jaren na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de vakantiedagen zijn opgebouwd.

Bekijk hier onze incasso diensten

Europese wet- en regelgeving

Maar op grond van Europese wet- en regelgeving heeft de werkgever een vergaande zorg- en daarmee samenhangende informatieverplichting jegens zijn werknemer opdat de werknemer gebruikmaakt van zijn of haar recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Zo moeten werkgevers volgens de Europese wetgeving hun werknemers tijdig en op transparante wijze informeren over hun openstaande vakantiedagen en wijzen op de gevolgen van het niet-opnemen hiervan, dat aanspraak op deze dagen na verloop van tijd komt te vervallen.  Indien medewerkers hiervan niet volledig op de hoogte zijn en hun vakantiedagen niet opnemen, dan heeft de werkgever zijn zorg- en informatieverplichting jegens de betreffende werknemer volgens het Europees recht veronachtzaamd.

Onvoldoende gestimuleerd

In deze zaak heeft de werkgever haar medewerker volgens het Gerechtshof onvoldoende gestimuleerd vakantie op te nemen en onvoldoende gewezen op de gevolgen van het niet-opnemen van vakantie. De werkgever stelt in haar verweer dat de medewerker zich wel degelijk bewust was van de gevolgen van niet-opnemen van vakantie. De medewerker was nota bene zelf advocaat. Maar het Gerechtshof gaat hier niet in mee en wijst de vordering van de werknemer toe. De werkgever moet daarom de niet genoten vakantiedagen en ook de bovenwettelijk opgebouwde vakantiedagen alsnog uitbetalen.

Tips voor werkgevers

Tot slot een aantal tips voor werkgevers:

– Informeer werknemers aan het begin van het kalenderjaar duidelijk over het aantal vakantiedagen;
– Wijs werknemers erop dat de vakantiedagen vervallen zes maanden na het jaar waarin die dagen zijn opgebouwd.
– Bied werknemers concreet, proactief en tijdig de gelegenheid om vakantie op te nemen.
– Zet werknemers er zo nodig toe aan om hun opgebouwde verlof op te nemen.


Meer weten over dit onderwerp? N
eem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

Vragen? Neem contact met ons op

    Consumenten die online iets bestellen en dit niet tijdig aanmelden voor retournering als ze het toch niet willen, kunnen vervolgens alsnog opdraaien voor de kosten van het product. Dat is de uitkomst van een uitspraak die de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam onlangs deed.

    Bekijk hier onze rechtsgebieden

    In deze zaak draaide het om een consument die online een product had besteld bij bol.com. De consument is niet tevreden over het product en stelt dat hij het vervolgens retour heeft gestuurd. Maar dit moet dan echter wel gebeuren binnen de afgesproken termijnen die zijn vermeld in de koopovereenkomst. Aan deze termijnen wordt in dit geval niet voldaan.

    Ontbindingsrecht

    Om van zijn ontbindingsrecht gebruik te kunnen maken moet de consument binnen dertig dagen na levering van het product aan bol.com laten dat hij de overeenkomst wil ontbinden. Dit kan bijvoorbeeld door op zijn account bij bol.com de retournering aan te melden. Vervolgens dient hij daarna binnen twee weken het product terug te sturen.

    Retourneringsbewijs

    De consument voert in dit geval als verweer aan dat hij het product retour heeft gestuurd via een supermarkt, maar dat hij geen retourneringsbewijs heeft ontvangen. Maar het is echter aan de consument om te bewijzen dat hij de retournering tijdig heeft aangemeld en het product heeft teruggestuurd. In dit geval heeft de consument volgens de kantonrechter niet aangetoond dat hij de retournering tijdig heeft aangemeld en ook niet dat hij het product tijdig heeft teruggezonden.  

    Bekijk hier onze incasso diensten

    Vordering wordt toegewezen

    De consument heeft dit niet weersproken, want hij is niet op de rechtzitting verschenen en hij heeft ook niet op de akte van bol.com gereageerd. De kantonrechter vindt het onnodig om hem in de gelegenheid te stellen nader bewijs te leveren van zijn standpunten. Zijn verweer wordt daarom verworpen en de vordering van bol.com wordt toegewezen.

    Voorwaarden

    Conclusie: Koop je online een product en wil je dit vervolgens retourneren? Lees dan goed de voorwaarden voor het aanmelden en terugsturen van producten in de koopovereenkomst en houd je aan de termijnen die hierin worden vermeld. Daarmee voorkom je dat je later alsnog opdraait voor de kosten van het product.


    Meer weten over dit onderwerp? N
    eem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

    Vragen? Neem contact met ons op

      Een Duitse toerist die een vakantie boekt op een vakantiepark in Nederland en de volledige reissom al heeft betaald, maar een dag van tevoren vanwege de Corona-beperkingen alsnog annuleert, krijgt zijn geld niet terug. In de algemene voorwaarden van het vakantiepark is niets vastgelegd over annuleren vanwege Corona. Daardoor blijft de bestaande regeling van kracht. Hierin is bepaald dat een gast het volledige bedrag verschuldigd is indien de reis binnen twee weken voor aanvang van het verblijf, of tijdens het verblijf wordt geannuleerd.

      Bekijk hier onze rechtsgebieden

      De toerist annuleerde zijn vakantie in juli 2020 een dag voor de geplande aankomst. Hij gaf als reden aan dat Noord-Holland een risicogebied was op dat moment en dat hij een cruciaal beroep heeft. Het vakantiepark liet de toerist daarop weten dat zijn verblijf niet kon worden omgeboekt op basis van de algemene voorwaarden. De reis kon wel worden geannuleerd door de toerist, maar die krijgt zijn geld niet terug.

      Stap naar kantonrechter

      De vakantieboeker is het hiermee niet eens en begint een zaak bij de kantonrechter. Daarin vordert hij terugbetaling van zijn reissom. Hij geeft aan dat op het moment van boeken niet voorzienbaar was dat hij na zijn verblijf 14 dagen in quarantaine zou moeten. Ook was het vanwege de ingestelde maatregelen niet mogelijk voor hem om naar het vakantiepark af te reizen. Daarnaast stelt de Duitse toerist dat de algemene voorwaarden van het vakantiepark in dit geval in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid en dat sprake is van overmacht en onvoorziene omstandigheden.

      Voor eigen rekening en risico

      In haar verweer bij de kantonrechter geeft het vakantiepark aan dat zij door de annulering zo kort van tevoren niet meer de kans heeft gehad om het vakantieverblijf aan een andere gast te verhuren. Ook stelt het vakantiepark dat de toerist voor eigen rekening en risico een vakantie heeft geboekt tijdens de Corona-pandemie. Hij heeft bovendien ingestemd met de reserverings- en annuleringsvoorwaarden. Het vakantiepark betaalt zelf ook huur aan de eigenaren van de vakantiewoningen op haar terrein. Hierdoor hebben de ondernemers niet alleen te maken met gederfde omzet, maar ook met extra kosten als zij de toerist een vergoeding moet betalen voor het annuleren.  

      Bekijk hier onze incasso diensten

      Geen annuleringsverzekering

      De kantonrechter benadrukt in zijn uitspraak dat de toerist heeft geboekt tijdens de Corona pandemie. Daarbij heeft hij niet gekozen voor een ander arrangement dat voorzag in onvoorziene omstandigheden, of een annuleringsverzekering die dit zou dekken. Het vakantiepark bood deze annuleringsverzekering wel aan. Daarnaast speelt voor de kantonrechter mee dat het vakantiepark de huur aan de eigenaren van de vakantiehuisjes op het park moet betalen. Verder overweegt de kantonrechter dat de Corona pandemie op het moment van boeking door de toerist al bestond, zodat geen sprake is van een onvoorziene omstandigheid. De vorderingen van de toerist worden daarom afgewezen.


      Meer weten over dit onderwerp? N
      eem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

      Vragen? Neem contact met ons op

        Mogen werkgevers zichtbare tatoeages bij werknemers verbieden tijdens de uitoefening van hun werk? Deze vraag bevindt zich op het snijvlak van het wettelijk instructierecht van de werkgever en het wettelijk grondrecht van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de werknemer. Het Gerechtshof in Den Haag oordeelde onlangs echter dat een tatoeage beleid in strijd is met goed werkgeverschap.

        Bekijk hier onze rechtsgebieden

        Een openbaar vervoerbedrijf in Rotterdam waarvan de medewerkers tevens actief zijn als Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BOA) hanteerde lange tijd een tatoeage beleid. Daardoor was het deze werknemers verboden om hun tatoeages zichtbaar te hebben tijdens de uitvoering van hun dienst in uniform. Volgens het vervoersbedrijf kan dit afbreuk doen aan het gezag dat een BOA dient uit te stralen. Medewerkers van het vervoersbedrijf die dienst hebben in burgerkleding hoefden tatoeages volgens het beleid echter niet te bedekken. Van hen wordt verwacht dat zij zo onopvallend mogelijk opgaan in de reizende menigte.

        Grenzen

        Een medewerker van het openbaar vervoersbedrijf die het hier niet mee eens is met het tatoeage beleid, start een zaak bij de kantonrechter. Daarbij geeft de medewerker aan dat het tatoeage beleid van zijn werkgever niet uitvoerbaar is omdat dit in strijd is met het wettelijk instructierecht van de werkgever en het wettelijk grondrecht van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de werknemer. De kantonrechter oordeelde in eerste instantie dat er wel grenzen zitten aan het recht om regels te stellen aan tatoeages en andere lichaamsversieringen, maar dat het tatoeage beleid van het openbaar vervoersbedrijf deze grenzen niet overschrijdt.

        Hoger beroep

        De vakorganisatie van het openbaar vervoersbedrijf is het niet eens met deze uitspraak van de kantonrechter en gaat daarom in hoger beroep. De vakorganisatie wil dat het tatoeage beleid van tafel gaat. Het Gerechtshof stelt de vakorganisatie in het gelijk en oordeelt dat  het tatoeage beleid, onder meer vanwege de huidige maatschappelijke opvattingen, geen stand kan houden.  

        Bekijk hier onze incasso diensten

        Persoonlijke expressie

        De uitspraak van de kantonrechter wordt dan ook vernietigd. Volgens het Gerechtshof beperkt het tatoeage beleid van het openbaar vervoersbedrijf de mogelijkheid tot persoonlijke expressie van de medewerkers die hiermee te maken hebben. Dat betekent dat de verplichting om deze tijdens de dienst in uniform bedekt te houden inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer. Dat de werkgever in beginsel mag bepalen hoe hij via zijn werknemers naar buiten wil treden, betekent niet dat dit grondrecht zonder meer terzijde kan worden gesteld met een beroep op het instructierecht. Het Gerechtshof oordeelt daarom dat het tatoeage beleid van het openbaar vervoerbedrijf in strijd is met goed werkgeverschap. 

        Vrijheid werknemer

        Conclusie: werkgevers die regels willen stellen rond het verbieden van tatoeages, piercings en andere lichaamsversieringen doen er goed aan om hier een duidelijk beleid in te voeren, waar richting medewerkers helder en zorgvuldig over wordt gecommuniceerd. En dan nog kunnen de regels door een rechter worden getoetst en ertoe leiden dat dit beleid en het toepassen ervan in strijd met goed werkgeverschap wordt geacht of de vrijheid van de werknemer te veel wordt aangetast.

        Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

        Vragen? Neem contact met ons op

          Om conservatoir beslag te kunnen laten leggen hoeft een rechter slechts summier onderzoek te doen of de vordering van een schuldeiser gegrond is. Hij hoeft dus geen uitgebreid onderzoek in te stellen naar de vraag wie gelijk heeft in een zaak. Die vraag dient beantwoord te worden in een aparte rechtszaak. Dat een vordering wordt betwist door een schuldenaar is voor een rechter dan ook geen reden om een verzoek tot conservatoir beslag door een schuldeiser af te wijzen.

          Bekijk hier onze rechtsgebieden

          Een dergelijke zaak speelde recent In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam. Het Hof oordeelde dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam een verkeerde maatstaf had toegepast bij het beslissen omtrent de verlening van verlof tot het leggen van beslag.

          Werkzaamheden niet goed uitgevoerd

          Wat was er aan de hand? Een woningcorporatie heeft enkele jaren eerder een overeenkomst gesloten met een isolatiebedrijf voor het uitvoeren van isolatiewerkzaamheden aan ongeveer duizend huurwoningen van de woningcorporatie. Later wordt ook nog een aanvullende overeenkomst gesloten waarbij wordt afgesproken dat het bedrijf ook dakisolatiewerkzaamheden gaat uitvoeren. Bij een latere controle stelt de woningcorporatie echter vast dat het isolatiebedrijf haar werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd. Bij tientallen woningen blijkende daken onvolledig te zijn geïsoleerd en is er te weinig isolatiemateriaal aangebracht, waarvoor wel is betaald. Het isolatiebedrijf stelt dat de werkzaamheden volgens de opleverrapportages wel deugdelijk zijn uitgevoerd en dat het niet de bedoeling was dat alle zolders volledig geïsoleerd zouden worden. Bovendien zijn er tijdens de projectperiode en tijdens de oplevering geen gebreken gemeld, waardoor het isolatiebedrijf zich niet meer aansprakelijk voelt voor eventuele schade.

          Deugdelijk

          De woningcorporatie verzoekt de voorzieningenrechter vervolgens om conservatoir beslag te leggen bij het isolatiebedrijf. Naast het verzoekschrift wordt hierbij door de woningcorporatie ook de dagvaarding én conclusie van antwoord in het geschil overlegd aan de voorzieningenrechter. Daarin staan niet alleen de eisen en standpunten van de schuldeiser, maar ook de verweren en de eis in reconventie van de verwerende partij. Dit blijkt teveel informatie voor de voorzieningenrechter. Die oordeelt dat de standpunten van beide partijen pal tegenover elkaar staan en dat zij niet kan bepalen wie gelijk heeft. Hierdoor kan volgens de voorzieningenrechter ook niet worden vastgesteld of het verzoek tot conservatoir beslag van de schuldeiser summier deugdelijk is. Daarom wordt het verzoek afgewezen.  

          Bekijk hier onze incasso diensten

          Summier onderzoek

          De voorzieningenrechter stelde zich naar aanleiding hiervan op het standpunt dat niet kan worden vastgesteld of de vordering van verzoeker summier deugdelijk is en wees het verzoek dan ook af. De woningcorporatie gaat daarop in hoger beroep bij het Gerechtshof, omdat het verzoek tot conservatoir beslag volgens haar aan de hand van een verkeerde maatstaf is beoordeeld. Volgens in artikel 700 lid 2 Rv beslist de voorzieningenrechter na summier onderzoek. Dat onderzoek vereist enkel dat op grond van de stellingen van de verzoeker en hetgeen deze ter onderbouwing daarvan heeft aangevoerd, summierlijk moet blijken van de deugdelijkheid van de vordering tot verzekering waarvan het beslag strekt. 

          Onjuiste maatstaf

          Het Hof stelt de schuldeiser in het gelijk en oordeelt dat de voorzieningenrechter inderdaad niet de maatstaf zoals die is vastgelegd in art. 700 lid 2 Rv – summier onderzoek – heeft toegepast. De voorzieningenrechter is met haar beslissing summier onderzoek te boven gegaan en heeft met haar inhoudelijke oordeel een onjuiste maatstaf toegepast. Het Hof vernietigt daarom de eerdere beschikking en verleent alsnog verlof voor het leggen van conservatoir beslag.

          Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

          Vragen? Neem contact met ons op

            Wanneer een politieteam een inval doet bij een verdachte om bewijs te verzamelen, gaat dit vaak gepaard met het inbeuken van de voordeur. Maar wie draait er vervolgens op voor de schade die hierdoor ontstaat? Volgens de Hoge Raad moet de Staat deze schade vergoeden.

            Bekijk hier onze rechtsgebieden

            De vraag wie de ontstane schade door politie-invallen moet betalen, stond centraal in de zaak Staat/Wherestad. Daarbij ging het om twee politie-invallen in huurwoningen van Wherestad waarbij voor enkele duizenden euro’s schade wordt veroorzaakt door de politie. Bij de invallen werd een hoeveelheid drugs gevonden.

            Schadevergoeding geëist

            Verhuurder Wherestad heeft vervolgens bij de Staat schadevergoeding geëist. De kantonrechter en het hof oordeelden in deze zaak dat de schade aan het pand buiten het normale maatschappelijk risico valt, zodat de Staat in beginsel schadeplichtig is. Doordat de verhuurder geen verwijt kan worden gemaakt voor het gedrag van de huurder, vinden de kantonrechter en het hof het niet billijk dat de verhuurder toch zou opdraaien voor de schade van de invallen.

            In cassatie

            De Staat heeft moeite met de toepassing van de billijkheidscorrectie van het hof en gaat daarom in cassatie bij de hoge raad. Volgens de Staat wordt de toerekeningsregel van art. 6:101 lid 2 BW in feite buitenspel gezet met deze uitspraak. 

            Deze regel luidt als volgt:
            ‘Betreft de vergoedingsplicht schade, toegebracht aan een zaak die een derde voor de benadeelde in zijn macht had, dan worden bij toepassing van het vorige lid omstandigheden die aan de derde toegerekend kunnen worden, toegerekend aan de benadeelde.’  

            Bekijk hier onze incasso diensten

            Toerekeningsregel

            De Hoge Raad komt aan deze klachten alleen niet toe. Het verweer van de Staat had namelijk al moeten stranden bij de vraag of de toerekeningsregel in een geval als dit überhaupt kan worden toegepast. Dat is volgens de Hoge Raad niet het geval, waarmee zij terugkomt op haar beslissing in het Wherestad-arrest. Het gegeven dat het hier gaat om schade die buiten het normale maatschappelijk risico van de benadeelde valt, verhoudt zich volgens de Hoge Raad niet met de toerekeningsregel van art. 6:101 lid 2 BW, die aangeeft dat de schade (in beginsel ) toch voor risico van de benadeelde komt.

            Billijkheidscorrectie

            In het voetspoor van het Wherestad-arrest werd tevens aangenomen dat de toerekeningsregel van art. 6:101 lid 2 BW – vanwege het laakbare gedrag van de huurder – in beginsel zou meebrengen dat de vergoedingsplicht van de Staat op grond van ‘eigen schuld’ kwam te vervallen. Uiteindelijk werd de Staat door de kantonrechter en het hof toch veroordeeld om de schade op grond van de billijkheidscorrectie van art. 6:101 lid 1 BW toch voor 100 procent te vergoeden. Aangezien de verhuurder geen verwijt kon worden gemaakt voor het gedrag van de huurder, werd niet billijk geacht dat hij daar toch voor zou opdraaien. Deze schade behoorde immers niet tot ‘het normale maatschappelijke risico’ of het ‘normale bedrijfsrisico’ van de verhuurder.

            Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

            Vragen? Neem contact met ons op

              Een medewerkster van een fastfoodketen komt door ziekte thuis te zitten en weigert mee te werken aan een reïntegratietraject. De fastfoodketen legt de medewerkster daarom een loonsanctie op en besluit vervolgens om haar op staande voet te ontslaan. Het Gerechtshof in ‘s-Hertogenbosch vindt dit een te zware sanctie. Zij oordeelt dat het verlies van recht op loon al een zware sanctie is. De fastfoodketen moet daarom alsnog overgaan tot betaling van het salaris, vakantietoeslag en vakantiedagen.

              Bekijk hier onze rechtsgebieden

              Wat is er aan de hand? Een medewerkster van een fasfoodketen zit al enkele maanden ziek thuis en geeft geen gehoor aan de oproep van haar werkgever om aangepaste werkzaamheden te verrichten. Dit terwijl de bedrijfsarts vindt dat dit wel mogelijk is. Na een mailwisseling met de medewerkster kondigt de fastfoodketen een loonsanctie aan.

              Twee keer gesommeerd

              De medewerkster wordt nog twee keer gesommeerd om het werk te hervatten, maar geeft hieraan geen gehoor. De fastfoodketen besluit daarop om het loon van de medewerkster niet uit te betalen. Een week later volgt opnieuw een waarschuwing en geeft de fastfoodketen aan dat het gevolgen kan hebben voor de functie en het dienstverband als de medewerkster blijft weigeren om reïntegratiewerkzaamheden te gaan verrichten. De medewerkster reageert per mail op de sommaties, maar hervat de werkzaamheden niet. Zes dagen later wordt ze door de fastfoodketen op staande voet ontslagen.

              Onrechtmatig

              De medewerkster start daarop een zaak bij de kantonrechter, omdat zij vindt dat haar ontslag onrechtmatig is. De kantonrechter stelt dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. Daarop gaat de medewerkster in hoger beroep bij het Gerechtshof. Dit oordeelt dat een ontslag op staande voet een uiterst middel dient te zijn en dat een werkgever daarvan met terughoudendheid gebruik dient te maken. Uitgangspunt van de wet is volgens het hof dat een zieke werknemer bescherming verdient. Het verlies van het recht op loon is al een heel zware sanctie. Dat moet niet daar bovenop ook nog eens leiden tot verlies van de baan.  

              Bekijk hier onze incasso diensten

              Ontbindingsverzoek

              Ontslag op staande voet is dus niet de de juiste sanctie die werkgevers moeten treffen bij het niet meewerken aan reïntegratie bij ziekte volgens het Gerechtshof. Beter is om een loonsanctie toe te passen. Mocht dit na verloop van tijd geen effect hebben, dan kan een ontbindingsverzoek worden ingediend vanwege ernstig verwijtbaar handelen.

              Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

              Vragen? Neem contact met ons op

                Indien in een arbeidsovereenkomst geen of geen geldig concurrentie- of relatiebeding is opgenomen, dan kan een werknemer zijn voormalig werkgever beconcurreren. Daarom is het voor werkgevers belangrijk om altijd een duidelijk concurrentie- en relatiebeding op te nemen in hun arbeidsovereenkomsten. Doen zij dit niet en ontpopt een oud-werknemer zich ineens tot concurrent, dan kan dit onrechtmatig zijn. Het is dan aan de werkgever om dit voor de rechter te bewijzen.

                Bekijk hier onze rechtsgebieden

                De rechtbank Rotterdam moest onlangs oordelen over een zaak waarin een schoonmaakbedrijf een ex-werknemer beschuldigde van onrechtmatig handelen. De medewerker was na een dienstverband van ruim twee jaar met wederzijds goedvinden uit dienst getreden bij het schoonmaakbedrijf. In de arbeidsovereenkomst was geen concurrentie- of relatiebeding opgenomen.

                Vertrouwelijke informatie

                Na het vertrek van de werknemer zegt één van de klanten van het schoonmaakbedrijf drie lopende contracten op. Hiermee gaat een aanzienlijk deel van de omzet van het bedrijf verloren. Deze klant sluit vervolgens nieuwe overeenkomsten met het nieuw opgerichte bedrijf van de ex-werknemer van het schoonmaakbedrijf. Het schoonmaakbedrijf stapt daarop naar de rechter en stelt dat de ex-medewerker onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens het schoonmaakbedrijf heeft hij de desbetreffende klant nog tijdens zijn dienstverband actief hebben benaderd om met hem in zee te gaan. De contracten met desbetreffende klant werden direct opgezegd nadat de ex-medewerker uit dienst was getreden. Bovendien zou de werknemer volgens zijn ex-werkgever op stelselmatige en substantiële wijze gebruik hebben gemaakt van vertrouwelijke informatie van het schoonmaakbedrijf.

                Bewijs leveren voor onrechtmatige concurrentie

                De ex-werknemer verklaarde daarentegen dat hij zelf was benaderd door de desbetreffende klant, omdat zij ontevreden waren over het schoonmaakbedrijf. Ook is er volgens hem geen sprake van een duurzame relatie tussen het schoonmaakbedrijf en desbetreffende klant, omdat zij pas drie jaar met elkaar samenwerkten. De rechtbank Rotterdam geeft het schoonmaakbedrijf vervolgens de opdracht om te bewijzen dat er sprake is van onrechtmatige concurrentie door haar ex-werknemer. Het lukt het schoonmaakbedrijf niet om dit bewijs te leveren, waardoor de rechter de vordering afwijst.  

                Bekijk hier onze incasso diensten

                Concurrentie- en relatiebeding

                Conclusie: vorderingen wegens onrechtmatige concurrentie worden in de praktijk niet snel toegewezen. Vooral omdat werkgevers vaak niet of onvoldoende in staat zijn om de feiten en omstandigheden te bewijzen die aan de onrechtmatige daad ten grondslag zijn gelegd. Een duidelijk concurrentie- en relatiebeding in een arbeidsovereenkomst kan deze problemen voorkomen.

                Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

                Vragen? Neem contact met ons op

                  Nadat de politie bij een saunaclub drugs en wapens vindt en dit verhaal in de media komt, wil ING haar bankrelatie met de club beëindigen. De saunaclub vecht dit besluit met succes aan tot bij de bodemrechter. Die weegt daarbij zwaar mee dat het zonder betaalrekening vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en om een bedrijf te exploiteren.

                  Bekijk hier onze rechtsgebieden

                  De saunaclub heeft bij ING een betaalrekening en daarnaast een overeenkomst ‘verpakt afstorten’, waarmee contant geld kan worden gestort bij de bank. Uit eigen onderzoek van ING blijkt dat de saunaclub in een jaar in totaal bijna vijf miljoen euro aan contant geld heeft gestort en circa één miljoen aan pintransacties. De bank vindt bovendien dat de leiding van de saunaclub onvoldoende gegevens heeft aangeleverd om de herkomst van deze gelden te kunnen achterhalen. Hierdoor kan ING niet kan garanderen dat haar rekeningen niet worden gebruikt voor witwassen. De bank laat de klant daarom weten dat zij de relatie met de saunaclub wil beëindigen.

                  Contant geld storten

                  Een aantal rechtszaken volgt, waarbij de saunaclub eist dat ING zowel de betaalrekening als de overeenkomst om contant geld te storten herstelt. Maar de bank is van mening dat zij allebei de diensten niet meer hoeft aan te bieden aan de saunaclub.

                  Betaalrekening aanhouden

                  De rechtbank wijst de eisen van de saunaclub af, maar het Gerechtshof haalt een streep door dit vonnis en oordeelt dat ING de saunaclub in staat moet stellen om een betaalrekening aan te houden. De overeenkomst ‘verpakt afstorten’ hoeft ING van het hof niet te herstellen. Het hof heeft het belang van ING in deze zaak afgewogen tegen het belang van de saunaclub en is tot de conclusie gekomen dat tussen deze belangen onevenredigheid bestaat. Maar het belang van ING staat volgens het hof in dit geval niet in de weg tot een verplichting om een betaalrekening aan te bieden aan de saunaclub. Volgens het hof hebben banken contractsvrijheid, maar is dit recht niet onbegrensd. Zij stelt dat banken op grond van hun maatschappelijke positie ook ten aanzien van niet-consumenten (zoals bedrijven), verplicht zijn om een betaalrekening aan te bieden. Het hof stelt bovendien dat het zonder betaalrekening vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en om een bedrijf te exploiteren.  

                  Bekijk hier onze incasso diensten

                  Risico op witwassen

                  ING gaat nog in cassatie tegen deze uitspraak, maar de Hoge Raad verwerpt dit beroep.
                  Voor wat betreft de overeenkomst tot het faciliteren van het storten van contant geld krijgt de bank wel gelijk van het gerechtshof. Volgens het hof is het risico op witwassen bij de saunaclub door verschillende omstandigheden redelijk groot te achten. Klanten hoeven zich bijvoorbeeld niet te legitimeren bij de club en een groot deel van de betalingen gebeurt in contanten. Het hof geeft aan dat het ook mogelijk is voor de saunaclub om een bedrijf te runnen zonder over faciliteiten voor het storten van contant geld te beschikken.

                  Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

                  Vragen? Neem contact met ons op

                    De vervaltermijn van wettelijke vakantiedagen leidt regelmatig tot onduidelijkheden binnen organisaties. Dit was ook het geval bij een zaak die diende bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Een arbeidsongeschikte medewerkster, van wie de arbeidsovereenkomst op 30 juni 2019 eindigde, heeft volgens het Gerechtshof geen recht meer heeft op uitbetaling van haar wettelijke vakantiedagen van 2016 en 2017, maar wel op die van 2018.

                    Bekijk hier onze rechtsgebieden

                    De vrouw werkte als sectormanager voor een stichting in de gehandicaptenzorg, maar wordt bij een reorganisatie per 1 juli 2017 boventallig verklaard en vrijgesteld van werkzaamheden. In oktober 2017 meldt de werkneemster zich ziek. De bedrijfsarts denkt in eerste instantie dat de klachten van de werkneemster terug te voeren zijn op de ontstane situatie. Later verandert hij van gedachten en oordeelt hij alsnog dat er sprake is van ziekte.

                    Ontbinding arbeidsovereenkomst

                    Tegelijkertijd lopen de spanningen tussen de medewerkster en de zorginstelling op. Dit leidt uiteindelijk tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter met ingang van 1 juli 2019. Wel speelt er nog een geschil over de uitbetaling van 55 niet genoten wettelijke vakantiedagen over 2016, 2017 en 2018. Volgens de zorginstelling zijn deze vakantiedagen vervallen, omdat de medewerkster deze dagen niet voor 1 juli 2019 heeft opgenomen.

                    Vervaltermijn van wettelijke vakantiedagen

                    De kantonrechter wijst de vordering van de werkneemster tot uitbetaling van de vakantiedagen om die reden af, maar de werkneemster gaat hiertegen in hoger beroep bij het gerechtshof. Bij de beoordeling door het Gerechtshof speelt mee dat het Europese Hof van Justitie in 2018 heeft bepaald dat werkgevers geen beroep kunnen doen op de vervaltermijn van wettelijke vakantiedagen indien medewerkers niet nauwkeurig en tijdig zijn geïnformeerd dat zij hun recht op vakantie verliezen als de vakantiedagen niet binnen de vervaltermijn worden opgenomen. Die regels heeft het Gerechtshof in deze zaak ook toegepast.  

                    Bekijk hier onze incasso diensten

                    Tijdig opnemen

                    Het hof oordeelt dat de vakantiedagen van 2016 zijn vervallen, omdat de medewerkster bij het eindigen van de vervaltermijn op 1 juli 2017 nog niet arbeidsongeschikt was. Daarnaast heeft de werkgever de medewerkster ook geïnformeerd over de vervaltermijn en ertoe aangespoord om de vakantiedagen tijdig op te nemen. De vakantiedagen van 2017 zijn volgens het hof eveneens vervallen, omdat de medische toestand van de medewerkers niet zodanig was dat zij geen vakantie kon opnemen. Door het arbeidsconflict was enkel sprake van arbeidsongeschiktheid voor het werk bij de huidige werkgever.

                    Vervaldatum voor vakantiedagen

                    Voor de vakantiedagen van 2018 wordt de medewerkster wel in het gelijk gesteld door het Gerechtshof. Volgens het hof was de vervaldatum voor deze vakantiedagen 1 juli 2019, terwijl de laatste dag van de arbeidsovereenkomst van de medewerksters op 30 juni 2019 was vastgesteld. Omdat de uitbetaling van deze niet opgenomen vakantiedagen op 30 juni 2019 had moeten plaatsvinden, was de werkgever verplicht om deze vakantiedagen uit te betalen.

                    Worstelt u ook met vragen over de vervaltermijn van wettelijke vakantiedagen? Neem dan contact op met RechtNet Advocaten via info@rechtnet.nl of bel naar 073 – 615 43 11.

                    Vragen? Neem contact met ons op